Spaansche Brabander Jerolimo G.A. Brederode Op het Woort Al sietmen de luy men kensse niet Aan den edelen heer, Mijn Heer Jacob van Dijk Raat ende Ambassadeur Ordinaris Uyt den name, ende van wegen den doorluchtigen ende grootmachtichsten heer ende koning, GUSTAEF den II. van dien name, der Sweden, GOTHEN, WENDEN koning ende erf-vorst; groot-vorst in FINLAND; hertog tot ESTHEN ende WEST- MAN-LAND. Residerende by de Hooge Mog. Heeren Staten Generael der Vereenigde Nederlanden. Den hemel is soo stadich niet behangen met sware bekommeringhen en droevige wolcken, om dat sy swanger is van een vol-dragen slachregen, of sy vint haar wel eens door den tijdt vanden arbeyt en lasticheit verlicht, waar op sy dan blinckende en heugelijcke stralen des blyschaps uytgeeft. So ist ooc, mijn heere, met 's menschen gemoet; ten kan niet altijt even swaarmoedig ende druyloorig zijn; al heeftmen schoon de last op den hals van wichtige ende groote saacken: men soeckt wel eenmaal middel om ontslagen te zijn van onze belemmeringen en aartsche moeyelijcheden. Tot sulken eynde, en voor de sulke geloof ick dat de verquickelicke ende lustige poësie is gevonden. De poësie seg ick, die niet alleen als een goddelicke sonne hemel en aarde verheugt, en verciert, maar komt tot inde binnenste onbeschyfelicke delen der zielen te erinneren, en gaat met een blakende glory des vermaacklicheyts tot inde heymelickste en grootste kameren der doorluchtige herten, al waar sy met een hefticheyt van verwondering uytschatert het overtreffelic verstant der geleerder, en van God begaafde mannen. Als by gelijckenis: wat mensche is so lomp of duyster van vernuft, die sonder beweginge en groote andachticheyt en rechtschapen soeticheyt souw konnen hooren of lesen die goddelicke Lof-sang van Jesu Christo, door den hoogen en uyt-geleerden DANIEL HEINSIUS gemaact? Ick geloof niet datter sterflick mensch leeft, die begaaft is met redelicke sinnen, die 't selve soude doen. Voor mijn, ick mach wel, seggen dattet mijn hoogste poësie geweest is, daar ick mijn opperste ghenoegen in gehadt hebbe van mijn leven; en so ben ick ooc wel versekert dattet U.E. oock boven allen is. Nu heb ick onder andere oock de eere gehadt van U.E. dat ghy myne boerteryen hebt vereerlijckt met de heerlicke luyster van u E.E. gedoogsaamheyt en lust, om die by u selven te lesen. Dit maact my, waardige heere, so moedich dat ik u E.E. myn Spaanschen Brabander derf toe-eygenen. Verwitticht en verwust zynde dat u E. Edele genegentheyt myn kleyne gifte niet en sult versmaden, maer van een gedienstich en goet gemoet in danck aennemen. U. E.E. biddende dat ghy hem so wilt stutten met u E. bescheydenheyt, dat hy vrypostelick zijn vyanden (die hy niet en vreest) mach tegengaan. Op dit vertrouwen wil ick u E.E. inde gunst van uwen koning, met sampt den Koning alder Koningen, in genade bevelen, die u E.E. in alle salicheden, so wel tijtelijck als eeuwich, geluckigh wil bewaren, gelijck u E.E. van gantscher herten wenscht uwen dienstwilligen diender ende vrient. G.A. BREDERODE TOT DEN GOETWILLIGEN LESER Indien de mensch soo goedtaardich waare gheschapen, dat sy vaardiger waren int verbeteren, en tragher int berispen van yemants ghebreken, so souden sy de volmaacktheyt des Alderhoochste nader komen, en haar zieltjes in alle deelen verbetert sien. Maar laas! ons is uyt der natuure die kranckheyt innegeboren, dat wy eer de splinter in eens anders, als de balck in onse eyghen ooghen vermercken. O tastelijck ghebreck! voor gheen ghebreck bekent; een yder liefkoost en vleyt sijn selven in sijne dwalingh, en straft met alle strengheyt de doolingen van sijn even naasten. Wat sijn wy verkeerde, blinde en gunstighe rechters in het kreucken en bedecken van onse misdaden! En wat zijn wy onrechtveerdighe beulen en helsche tierannen in het uyterste vervolghen en 't schavoteeren van eens anders leelijckheden! Dit weten wy arem gelijck als of wy Godt daar mede een aangename dienst aandeden, niet eens overleggende dat wy van binnen ons soo veel hebben te herstellen en verschicken, dat wy buyten ons selven niet eens behoeven te treden om werck te vinden, vermidts in ygelijcks tuyn ghenoech te doene valt. Maar wat ist? Een yder siet uyt, en niemant siet in. In dese ghemeende heer-baan heb ick my soo verre verloopen, dat ick, na de ghewoonte van veel dichters en schryvers, met ander lieden fauten gesocht hebbe te proncken. Want ick stel u hier naacktelijck en schilderachtig voor oogen de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt, de ghebreckelijckheyt van onse tijdt, en de kerckp en straat-mare mishandelinghen van de gemeene man; doch onder andere heb ick mijn eighen bekende swackheyden niet vergeten, biddende den Almogende, dat hy de myne en den uwen ghenadichlijck wil te hulpe komen, want hem ist bekent, dat ick dit niet uythaat, noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren, maar om my en alle menschen te verlsutigen en verbeteren gedicht en geschreven hebbe. Isset sake dan dat ick eenighe vrome, oprechte, deghelijcke en deuchedelijcke lieden onverhoets en buyten mijn weten hebbe vergramt, ick versoeck neffend dese ernstelijck, dat sy 't mijn onbedochtheyt en kleine kennisse wijten, en myne vergrypinghe met een beter verschoonen; soo sal ick ghedwonghen zyn haar goede voorgangh te volghen, en myne haters, achterklappers, en lasteraars beschuldigingen en bescheldinghe gheduldelijck te dragen, en met een wel-ghetroost gemoedt, sachtsinnich opnemen, en soetjes by mijn neder-setten; want soo weynich als mijn de onverdiende lof van myne al te gunstighe my kan vorderen, immers en alsoo luttel kan my schaden den laster der kenschuldighe, der eensydighe, der nydighe, die inghenomen zijnde met quaatwillicheyt en soor-oordeel, gheen dingen, hoe goedt oock datse souden mogen zijn, onveracht noch bescholden laten. Maar daar-en-tegehn de vrye, de sye-loose en verstandige en kreunen sich niet aan onbescheyden vonnissen van soodanigen volckjen; sy onderscheyden, sy schiften, sy siften, sy keuren, sy kiesen, en beproeven der saken waardicheyt aan de ongevalschte waarheyt. Het heeft eenige rechtsche of averechtsche heylighe, ghlieft onse Spaansche Brabander in sijn eere te spreecken, sonder dat sy de man ghesien noch ghehoort hebben. Daar over hebben wy besloten dat wy hem int licht wilden laten gaan, opdat hy hem al de werelt, en insonderheyt mocht verantwoorden tegen de ghene, die met een gheveynsde suyverheyt hem van te schandelijcke oneerlijckheyt by elck een verdacht ghemaackt hebben, op dat hare looghens en syne vromicheyt sich openbaare. Ick, noch hy, en ontkenne niet, of hiuj heeft wle over hem dat te beroepen is, maar wien en wat isser dat volmaackt ieen alles is? Daar en is niets onberispelijcx als Godt. Maar soo de ghemeene speelen van ouwts af niet anders en verhandelden als het gene by de ghemeene man ommegingh, so hebben wy dan, na de kleyne ervarenheyt van de wereltlijcke dinghen, ons volck niet hoogher doen spreken dan sy en verstaan, of daghelijcx mede ommegaan. Dat is: een smit van yser en koolen, een schilder van sijn veruwen, een schoenmaker van sijn leesten, het welck ons niet ghevoeghelijck en docht. Nu waren wy ghenootsaackt, volgens ons voorgenomen inhouwt, twee lichte vrouwen sprekende te maken; de swaricheyt wel overdocht zijnde, vonden wy niet beters dan datmen die van hare neeringh ooc souden laten spreken, alsoo 't oock wel te dencken en gelooven is, dat sy de Schriftuur niet al te kies, te keurelijck en te scherpsinnich door-soecken, en meer met vleeschelijcke dinghen haar bemoeyen, dan datse met over-natuurlijck verstant landen en luyden in de waachschale stellen. Is haar geylheyt wat ongebreydelt en sloridch, wy zijn de eerste niet: de Griecken, de Latijnen hebben 't ons wel-lustelijc voorgedaan. Dat blijct aan Aristophene, Plauto, Terentio, en eenige andere onbeschaamde, die nochtans van de huyden-daachsche school- geleertheyt de jonghe jeucht voor klockspijs en leckerny inghegheven wordt. Dit loopt altsamen wel onbesproocken deur, maar 't gheen op een toneel vluchtich wert verhaalt, wert by elckelijck schier voor doot-sonde gedoemt, daar sy nochtans op straat, binnens huys, en elders, Godt betert!, dag'lijcx veel erger hooren en doen. Sulcke en dierghelijcke schurfde schapen blaten aldermeest van de onreynicheyt; andere, al te barmhertighe, en mogen niet veelen dat men de godloose vinders van bedroch en schalckheyt wat over de heeckel haalt. Ick kent: het is een slapheyt in mijn, dat ick de eereloose, geen-noot-hebbende, moetwillige banckeroetiers (die haar goet aansien en gheloof by de lieden met eereeen misbruycken, en diefs-ghewijs de vromen t'haren onbruyck arm en ellendich maken) niet en kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel fielen en rabauwen doen, die de buyt t'samen staan, of an 't selve evel sieck zijn, en wel lichtelijck den eenen dach of den anderen het op-gheven, en deurgaan sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar soo groot en goedt van gemmoedt, dat ick soo een stuckedrochs niet en kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery; nich ick en kan niet onbeklaagt noch onbeschreyt laten de ghene die door onghevallen tot een bedroeft verloop moeten komen. Nu heb ick 't inder waarheyt op niemant in 't besonder ghemeent, maar heb de kluppel int hondert blindelingh geworpen, luck rack; die ghetroffen is, wolcht het rijpje: doetet u seerm wachtet u meer. Die beleeftheytheb ick ghebruyckt, dat ick een ander tijdt hebbe ghenomen, op dat men te minder beduydenisse op de teghenwoordighe levende en soude makne, ghelijck ick oock niet ghedaan en hebbe. De Brabantsche tale heb ick tot geen ander eyndt hier in ghevoeght, als om aare arme hovaardy an te wijsen, dat sy also wel hare lebbicheden heeft als de botte Hollanders, die sy soo wel niet en konnen volghen, als wy-lieden haare mis-spraack. Dit zijn dan, vriendelijcke leser of leserin, de oorsaken en de dinghen, die mijn hebben beweegt te doen drucken mijn Brabander, die van veelen lachterlijck belogen is, en die ick wensch datse u so wel mach behagen als sy de beste en braafste lieden voor desen heeft gedaan. Soo ick dat vermerck, sal ick my spoeyen om U.L. eerlangh een kluchtigher en veel gheestigher ghemeen te maken. Hier mede wil ick u niet langher ophouden. Leest met lust, en trect tot uwen dienst het ghene dat u wel ghevalt, en gheeft my voor mijn groote en willighe moeyte een vriendelijck ghesicht; het sal loons ghenoech zijn voor uwen altijdts bereyden en jonstighe G.A. BREDERO G.A. Brederode Tot den leser Ist dat ghy yet merckt, leest of siet Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet. Ick heb met lust tot leer ghedaan, En niet om dien wegh in te slaan. Maar vindy wat dat u wanhaaght, 't Sy u tot les, ghy knaap of maaght. Men weet soo noodich het venijn, Als dinghen die dar goedt voor zijn. Een kindt, onwetend van verstandt, Dat loophet in 't vuyr, alwaar 't hem brandt. Dan yemant die wel beter weet, Die denckt: dat vuyr is mijn te heet. Hy tastet met yet anders an, En treckter nut en warmte van. Soo bid ick dat ghy dit oock treckt, Op dat het u wat goets verstreckt. Het oordeel, dunckt mijn, is verkeert, 't Welck seyt, dat men de sonde lert, Alsmense eyghentlijck verklaart, En al de werrelt openbaart. Ick neem een preker op de stoel: Als die onteckt een vreemt ghevoel Van een eerloosen snoo sophist, Of een godloosen atheïst, Souw die daaromme boosheyt doen? Of argeren in 't minst de goen? Dat sluyt niet. Souw de magistraat, De overheyt, de wyse raat, De boosheyt leeren yder voort, Als sy bestraffen princen moort? Of vrouwe-kracht? Of dievery? Straatschenden, of brantstichtery? Dat komt met my niet over een. Soo weynich als in lijf en leen De sucht of sieckten overspruyt, Wanneers' een doctoor ons beduyt, Soo lettel of noch mooglijck min Dringt immer 't quaat ter zielen in, Want in een godlijck goet ghemoedt En komt oock niet dan alles goedt. De dinghen zijn dan groot of kleyn, Den reynen zijn sy allen reyn; Den quaden dijt alles tot quaat, Om dies-wil dat het met hem gaet Ghelijck als met de vuyle spin, Die 't goetste neemt ten quaatsten in, Die 't honich in fenijn verkeert, Alst in sijn binnenst is verteert. Soo doen veel menschen hier te landt: Sy spreken van een ander schandt, Of lof of eer, na haat of gunst, Maar niet na kennis van de kunst. In sulcken breyn wert nu ghemaalt De roem of laster die men haalt. De ghene die ick heb gheraackt Onwetens, hebben my ghelaackt; Ick gheft haar toe; en voor de smaat So wensch ick dattet haar wel gaat Aan ziel, aan lijf, na wil en wensch, So wel als eenich levend' mensch. Maar ghy, verlichte, suyver, net, Die op mijn wercken lustich let: Hier hebdy maar een slecht gherijm, Dat niet en rieckt na Griecksche tijm, Noch Roomsch ghewas, maar na 't ghebloemt Van Hollandt, kleyn, doch wijt beroemt; Al heeftet gheen uytheemsche geur, 't Is Amsterdams, daar gaatet veur. Het Nederlantsche doffe kruydt Gheeft voor ditmaal niet soeters uyt Als ghy en siet; soo 't u niet smaackt, Soo bid ick dat ghy 't honich maackt Met u gheleerde groote gheest, Die 't best uyt u boeck-weyden leest, En brengtet in u bye-korf, Daar ick nauwlijcx by comen dorf, Om dat ick, 't welck ick vry beken, De minste van u byen ben. 't Kan verkeeren. Ao 1618, den 6. juny. Inhoudt van 't Spel Onder de wynigh uytsteeckende of geestige Spangjaats en is de maker van Laserus de Tormes nerghens na de minste, maar, mijns oordeels, een van de meeste te houden, want hy seecker en bedecktelijck de gebreecken sijner lants-lieden aenwijst en straft. Desen ist die wy volghen in sijn eerste boeckje, daar hy de hoverdye, die haer-lie schijnt ingheboren te zijn, levendich afbeeldt in sijn kaale joncker; nu also wy geen Spangjert en hadden, of om dattet de ghemeene man niet en souw hebben kunnen verstaan, hebben wy dese namen, de plaatsen en de tijden, en den Spangjaart in een Brabander verandert, om dies-wille dat dat volckjen daar vry wat na swijmt. Den inhoudt hebben wy na onse ghewoonten in vyven verdeelt. Eerstelijck, Jerolimo Rodrigo vertelt zijn overcomste uyt brabant, zijn oorsaack, het verschil van Amsterdam en Antwerpen, de verscheydenheden van het volck en haar zeden, en sijn voorighe grootheyt, alles met een verwaande hoochmoedicheyt. Robbeknol, een verloopen bedelaar, neemt hy in sijn dienst, waar met hy nae sijn ydele grootsheyt by der straaten gaat brageeren, tot endelingh in de mis. Drie ouwe klouwers bewijsen met haar slechte manieren, spraack en kleedinghe de oprechte slechtheyt der Amstelredammers, en de tijdt, namentlijck de sterfte over meer dan veertich jaren. Ten anderen, Jerolimo wel gheveecht zijnde, ontmoedt ande vesten by de mont van den Emstel twee lichte vrouwen, waar by hy den volmaackten hovelingh speelt. Sij meer gheneycht tot sijn gelt als tot sijn schoone woorden, willen dat hy haar sal leyden op de Klieveniers-doelen; hy alsoo kouwt van buydel als heet van maagh, maackt veel blaeuwe en loghen-achtige uyt-vluchten, en scheyt na veel stuypens en nijghens eerbiedelijcken; sy begecken den wech-gande, en verhalen den oorspronck van haar ontuchtich en onghereghelt leven. Den hongherigen Robbeknol tijdt terwijl uyt bedelen, het welck hem soo gheluckte, dat hy sijn ledighen buijck, en sijn eerlijck-hertighe doch arme meester daar met spijsde, en ginghen voort, wel versaat zijnde, t'samen te ruste. Ten derde, Robbeknol verhaalt den loop sijns levens en sijns avontuurs, (Jerolimo niet by der hant zijnde) soeckt, vindt en doorsnoffelt sijns meesters beurs, dien hij rijck van vouwen en arm van penninghen bevonden heeft. De drie koele troevers verwijten elck ander haare feylen; ondertusschen luijtmen der stedenklock, alwaer ter puye wert ghekundicht en verboden op lijfstraffe de bedellerije ende gheraamde ordere over de rechte armen, het welck by elck ghepresen, maer by Robbeknol en sijns gelijcken beklaaght werdt. Een kyve-kater kijft en raast onbescheyelijck, doch sij wert besadicht van twee spinsters, haar ghebuuren. Robbeknol van de noot een deucht makende, kont by dese onwetende wijven de sevensalmen lesen; soo kreegh hy de kost. Jerolimo vint eenich kleyn gelt, waant hem selven de rijckste die daar leefden, hy stuurt sijn knecht om spijs en dranck. Die ontmoet een lijck-stacy, hoort eenighe woorden, en loopt verbaast na huys. Doch dat over, doet hy sijn bootschap. Int vierde vertelt een koppelaarster haar leven en haar neeringh. Robbeknol gheladen met eet-waren, werdt blydelijck ontfangen, en tyen daatelijck met gragen lust an 't smullen. Jerolimo vertreckt over maaltijdt sijn afkomst, en meer andere geckelijcke dinghen; ondertusschen komt Gierighe Gerret, sijn huys-heer, en Byateris de uyt-draaghster hem maanen; na veel belovens gaat den armen duyvvel deur en leyt een banckje. Int leste deel, de buuren verstaan hebbende sijn vertreck, gaven de maanders en schult-eyschers sijn banckerot te kennen, daar een groote beroerte uyt ontstont; over sulcks de schout, notaris en ghetuyghen gehaalt, 't huys gheopent, vonden niet dan een oudt beddetje, dat na veel woorden inde stadtskoocken ghebrocht wiert. Indervoeghen dat sy allegader even veel ontfonghen, en onbetaalt en onvernoeght wech gonghen. Daar hebjet al, seyd' het wijf, en sy spooch het hert uyt haar lijf. Namen der Speelende Ghesellen Jerolimo Rodrigo de joncker Robbeknol de knecht Joosje; Kontant twee jonghens Floris Harmensz. hondtslagher vande kerck Jan Knol, Andries Pels, Thomas Treck patriotten Trijn Jans, Bleecke An twee snollen Trijn Snaps, Els Kals, Jut jans spinsters De vrouw van de dooden, een deel stommen Byateris een uytdraaghster en koppelaarster Gierighe Geraart de huys-heer Notaris, de klerck, met twee steboon Balich een tinnegieter Jasper de goutsmit Joost de buurman Otje Dickmuyl de schilder De schout met zijn rackers EERSTE DEEL JEROLIMO RODRIGO T'is wel een schoone stadt, moor 't volcxken is te vies; In Brabant sayn de liens ghemaynlijck exkies, In kleeding en in dracht, dus op de Spaansche mode, Als kleyne konincxkens of sienelaycke goden. O kayserlaijcke stadt! Hantwerpen groot en raijck, Ik gheloof nou dat de son beschaynt uwes ghelayck, In abondancy van sleyck, in schoonheyt van landouwen, In karcken triumphant, in devote kloosters, en modeste ghebouwen, In uragie masief, vol alles van rekreatie geboomt, In kayen en in hoyen woor langskens dat hem stroomt De large revier, het water van den Schelde, En supporteert tot over Meyr. Datte kick ou eenskens vertelde Mayn avontuurkens met de dochterkens inde baar, Betteken en Mayken, en met haar nicht schoon Klaar, Die over straat trip trap, en met sulcken ghetepel, gaat, Damen her jugeert en estimeert voor 't stooltje vande lepelstraat, En vande Venus-buurt; 't soch, say saijn wel gracelaijck. De gouverneur van 't slot die minden haar wel dwaselaijck, 't Was sulcken waperkaack een, g'en hebt ou leven. Hoe dickwils heeft hy haar een keurs en een voorschoot ghegheven Voor een bay-slopen. Wa was ekick oock amoureus Op Annette de Tournay, en Janneken de Geus. O 't is een gallant goeyken, 't saijn kordyale princessen, Sy braveeren de waerelt in ambitieuse grandessen. En hadde kick met hoor niet alleghere ghebancketeert, 'k En had t'Handwerpen niet so schandelaijck ghefalgeert; 'k Was daar in goeyen stoot, ick had wel 'tseventich paar mouwen, En maijn krediteurs lieten may niet dan dese houwen, En voort gaf e kick hoor al het goeyken damen was vertrouwt Van maijn gebuurkens hier t'Amsterdam. Ick kick vreesde voor de schout; Want ick docht: ist sake dat zijt hem ansigghen, So sal hy mijn op steen of inde stock doen ligghen. Ick ben liever inde harmonieuse melodive vogle-sangh, Als inde odieuse stinckende boeyens en ys're klangh. En so verren mayn ghebuurkens may om't hoore spreken, Soo sal ick hoor wel een leugen of een treurneus in de handen steken. Ick heet nu bekans een maant of wa meer ghehadt. Hier sayn veel goeyenliens in dese stadt, Die op goedt vertrouwen haar goeyken laaten bewaaren Aan andere, die, asse kick, daar achter uyt mee vaaren. Want ofmen schoon de liens, ghelayck hier staat, al siet, Men ken daarom haar hert noch qualiteyten niet. 't Is tijdt da wy die bot-muylen, die huybens, wat fatsonneeren: Men moet haar altemets een spelleken en een kluchtken leeren. Moor wahet? Kene geen rust, 'ken magh niet paysibel staan. Braband. binnen Zemers, ben ick rayck, so moet mayn goeyken wel inviesibel gaan! ROBBEKNOL DE KNECHT So lang als ick ghewondt was, en om 't hoofdt de doeck hadt, So kreeg ick altijts wat om Gods-wil cande goe-luy, as ick badt; Maar nou sy my gesont sien, en mijn ghenesing vermercken, Nou ist: God helpje, jy luye bedelaar, gaat wercken, Jy bint jong en wel te pas; hy doet sondt die jou wat deelt, Vermits zijn malle barmhertigheyt de rechte armen ontsteelt. Wat raat dan? Steelen en wil ick niet, daar steecktme of de wallich; Al ist een aardighe kunst, sy helpter miester ande gallich. Brabander uyt. Dienen dat waar een ding, so had ick de besorghde kost, So waar ick vande straat, en van 't leegh-gaan verlost. Was'er maar een rijck heerschap, ick wouw' hem garen dienen. Gans lijden, watte quasten heeft die jonker ansen bienen, Hoe is hy uyt estreken, hij is wel verguldt met dat gheweer. JERO Hoort manneken, soecktege een meester? ROBBE Ja ick waarlijck, mijn heer. JERO Wel, komt hier by-men, ick sal ou van alles wel versorghen. Ick twijfel niet of gy hebt een goey gebeken gesproken vande morgen, Want ons Heer het ou verleent een goey meester an mijn. ROBBE En ick sal jou, mijn heer, een goede dienaar zijn. JERO Hoe is ouwen naam? ROBBE Robbeknol, tot jouwen dienst. JERO Ghy zyt een nettert. Van waar zijde gy? ROBBE Van waar? Van Embden, God bettert. JERO Ho, ho, een Embder potschijter. Wel zemers dat comt snel. ROBBE ja, ja, praat jij wat, d'Amsterdammers en Brabanders kennen 't oock wel. JERO Dat is ooc waar. Hede nach ouwers, of hedese verloren? En wa was hoor doen 't? ROBBE Mijn vader was een Vries gheboren, Te Bolssert in Vrieslant. En mijn moer was van Alckmaar; Immers, na veel avontuurs en loopens kreghense malkaar. Men vaar was een meullenaar, en mijn moer liep met de veeringh; Want hier eseydt, al segh ick het self, sy verstonder lijdich wel op de neering. Sy kont van buytene sien oft locken sou of niet. Dats nou al eveliens. Daar na, joncker, so ist eschiet Dat mijn vaar, slimme Piet (ick seltje seggen met luttel woorden), Uyt de backers kooren sacken meer nal als hem toebehoorde. JERO Dat gebreck is heel ghemeen, 't is de mannier van 't landt. ROBBE De meullenaars, mijn heer, die hebben nu een aar verstandt; Sy speelen: hout wat en gheeft wat. Immers door 't voorloopen van goe-mannen So wordender mijn vaarf in 't heymelijck om egieselt en uyt ebannen. Doen raackten hy by de Spangjaarts in dienst, hier inde krijgh. Ick weet niet wat hy heur gedaan had; sy koockten hem een vijgh, Daar of hy sturf. Alsmen moer Aaltke Melis vansen doot vernam, So trockse met me, en met heur goetjen, hier t'Amsterdam, En sy huerden een huysjen, en sy hing uyt' de Graaf van Embden,' En sy leyde slapers om gelt, en sy wos de bootsluy heur hembden, En de klieren voor de luy, op de erven die hier laghen leegh. Daar na so gebeurden 't joncker, dat sy an Duckdalfs palfreniersknecht kennisse kreegh. Want siet, hy brochter al zijn miesters linnen te wassen. Dees was een lelicke zwart, en sy was so van passen Of matelijcken schoon. (Maar foey! wanneer een vrouw is groen, So zou zijt met de beul, met een hondt, ja met de duyvel doen.) Mijn moer die was een weeuw, die quicx en heet van bloet was, Die noch al-te-wel heughden dattet blijslapen soet was. Wat het sy te doen? Sy ging by de moor legghen, En sy beproefde of de moerjanen soo saft zijn als de luy seggen. Maar de schellem die vil heur in, as een naghel soo hart, So datse van hem ontfingh een moeye jonge swart. Hoe blijt datse was, da gheef ickje te bedencken. Heer, wat brochter die moerejaen al soete gheschencken, Van suycker en van wijn, van wildtbraat en van klein ghebient, En ander leckerny. Dan had hy een kapoen, en dan een smient, En dan ghelardeerde duyfjes, of dan een snipjen met zijn dreckje. So koesterden hy heur in heur kraam. Och, seudt hij! och mijn beckje! Och! doetje toch wat te goedt. Ick stont van veers en keek het an; En dan kreeg ick altemets van bystaan oock een streeck uyt de pan. Daar deur kreegh ick hem lief, en sagh hem byster garen. Maar eertijts as hy quam begon ick te krijten en te baren; Ick rits-evelde van angst as ick hem komen sagh. Dan riep ick: het sal donderen van desen dagh, So bruyn komtet ginder op. Mijn docht het was de duyvel, Of de bulleback; maer doen hy ons brocht broot en suyvel, En andere snuysteringh, so van eten en van wijn, Doen docht hy mijn gheen mensch, maer een enghel te zijn. In dese ommegang liep een jaar of twee ten eynden; 't Ghebeurden, so hy eens zijn soontje wat douw-deynden, Wat troetelde, wat kusten (wantet hem so lief as zijn hert was), 't Kijnt sagh dat wij wit waren en dat hij so pick swert was; Het liep na mijn moer verbaest, en 't riep met een schrick: Och memmetje! memmetje! waertme, hier is Heyntje Pick. Hy grimlachte en grijnsde! en schelde met één woord moer en kijnt; Loopt an de gallich, seyd'hy, ghy verbranselde hoeren kijnt. Dat woortje van mijn broertje, dat vatten ic terstont, al was ic jong. Och, docht ick, hoe mennich hoortmen met een schotseren tongh Een ander lasterlijck schelden en schennen Van de gebreken daer sy selftse vuylst' van bennen, Door dien sy, als mijn broer, haer selven niet en kennen. Om kort te maken, joncker, dit komen en dit gaan Quam d'opsiender van 't huys en de stal-meester te verstaan; Sy leyden op hem toe met wachten en met waken, Soo lang tot dat sy hem sien rooven, steelen, taken De haver en het hoy, ja toomen, stevels, spooren, quispels, en Deck-kleen, beere-vellen, en ander goet dat ick niet noemen ken, Als de ghebitten, ja de hoef-ysers selfs vande paerden, Die hy de smits en de wage-boeven verkoft om halver waerden; En t'huys stal hy al wat los was, soo van kooper als van tin, Van silvere lepels, bekers, tafelborden, betielen, in Om de waerheyt te seggen, het was een dief in zijn moers lijf eboren. In alsmender na vraeghden, dan wist hy nergens of, of 't was verloren; En dit deed hy al uyt liefden, om mijn moer en broer te voen. Verwondertje dan niet asje dit wel andere luy siet doen, Die uyt liefden van haar konckebijnen haer eygen kas bestelen, En geven 't een hope hoeren daarse moy weer mee spelen? Daer na worden ick ghevanghen en gelockt met list. Wat souw ick doen, heerschap? Ick seyden uyt vrees al dat ick wist; Hoe dat mijn moer dit goetjen op het hooghste kon verkoopen. En doense my uytgehoort hadden, doen lieten sy my loopen. Doen vatten sy de moor, mijn stief-vaar, by de neck, En s'ontklieden hem moeder naackt; doe namen sy brandent' speck En lieten 't op sen rugh al barnende druypen. Hy wrong hem als een aal, maar hy kon 't niet ontkruypen; Dat most hy afstaan met ghedult, al wast een harde saack. De wet gheboodt mijn moer op penen vande kaack, Dat zy by dese moor niet meer en sou verkeeren, Of men souwt haar oock vreeselijck verleeren. Branden met speck, docht mijn moer, dat behaacht mijn niemendal; Ick wil de kolf so rouckeloos niet werpen na de bal. Doe heeft sy om de qua tongen, en oock om wel te leven, Haar uyt devocy in 't arme mannen-gast-huys begheven; Daar dienden sy om Gods-wil; trouwens om de kost, watje mient, En daar heb ich na mijn vermeugen mijn broot oock mee verdient. Dan liep ick by de doctoor of by de apteecker om drancken, Of by de barbiers om salf, of andere bootschappen voor de krancken. Ten lesten quam'er een weetighe, teetige, versoorde blinde-man, Die versocht mijn tot zijn layts-man; hy praten 't mijn moer so an, Dat sy mijn by die elementsche fiel bestelde. Och joncker, ick had een jaar werck dat ickje vertelde Wat kommer dat ick somwijlen heb gheheelen. JERO Nu Robbeknol, al properkens, sacht mannecken, geeft ou te vreen, En danckt ons Heere God voor sayne goeyen gracy; Ghy sijt hier ter keure wel gheroockt te deser spacy, Want ick kiek sal ou triumphantelaijck versien met al wat ou ghebrect. Een dingen jammert may, dat is dagge so bot Hollants spreckt. O de Brabantsche taal, die is heeroyck, modest en vol perfeccy, Soo vriendelayk, so galjart, so minjert, en so vol correccy, Datment niet gheseggen en kan. Ick wouw om duysent pont Daggese so wel alse kick of als men peterken verstont. Ick sweer ou par Die, ghy souwt ou Hollands versaken, Want die ons verstoot, die verstoot alle spraken. Was ou moeyer noch maaght, ick liet ou een Brabander maken. Onse taal is een robsodi, non pareylle sonder weergae; Sen heeft geen comparacy by de suyverheyt van Hollant by veer nae. ROBBE Ja, 't is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken, Ghy luy hebt de Fransche, de Spanjers, en d'Italianen vry wat of ekeken. De Brabanders slachten d'Engelsche of de spreeuwen, sy kenne van elcks wat. JERO 's jasy, wat sayn hier harsenloose botmuylen inde stadt! Zy zijn slecht en recht van leven, en simpel inde stijl van haar geschriften. ROBBE O eelekaertjen, soudmen dat lebbighe Brabants siften Of wannen, gelijck de kruyeniers haar kruyen, soo waar as ic leef, Ick wil wel wedden datter de helft niet over en bleef. Dattet hof te Bruyssel eens banden al de uitheemsche woorden, Dat yeghelijck most gaan daar sy eygen zijn, of daarse thuys hoorden, Wat souwer een goetje vertrecken! Gantsch lijden, hoe kaal Souwen de brabbelaars staan kijcken met haer arme jottoose taal; Maar nou zijnse hier so vermaagschapt datmense niet sou konnen scheyen, Al had je al de geleerden, professoren en doctoren van Leuven en van Leyen. JERO Slecht-hoyen als ghy zyt, moockt eensjens een acte notariaal; Gaylien en weet van hooftse tarmen, gy schrijft moor duyts teenemaal. Onse notarissen en secretarissen verstaander pertinent op de pronunciatiëeen. Dan trouwens 't is haar geoctroyeert, met edicten, privilegiëeen en gratiëeen Van 't kayserlijcke hof; ou, 't is een volcxken seer extreem. ROBBE De paus van Roomen met al zijn cardinalen en brenghter niet van haar teem; En dat latenser noch duncken datse verstandige scribenten bennen; Sy schrijvenje daar een goetje, datse as haar Vader-ons van buyten kennen. JERO Woor woren de Hollantsche botmuylen? Niement van so veel En quamper te voorschijnt in ons magnifijlaijck retorijlaijck lantjuweel. Da was een dingen van d'ander waerelt, 't is rekreatieflijck te lesen, Moor sjases, par Dio sante, wa plochtender elegante poëten te wesen. Item daar haddege Kastileyn, de Roovere, Gistellen en Kolijn, En Jan Baptisten Houwaart, dat bayloy goeye meesters zijn; Dat waaren liens vol perfeccy, en van devine eloquency. Ygelijck woordeken datse aggeerden, of nomineerden, dat was een sentency. Het minste datse sprooken dat was een reffiereyn, en dat so exstravagant Van uytspraack, trots een oostersche phar-her, of luyteresche predikant. En bay hoor rondeelen en balladen (met licencie mach icket vry seggeeen) Daar mogen de Hollantsche boerelicke-dichters hoor broeck by leggen. ROBBE Werpt de Vlamingen niet wegh, mijn joncker, watje doet, Met huldere incarnatie, en Palleys vol Minnen, en Suyckerbosjes soet. JERO Baste, al stillekens, ick hees ghenoeg van die muffe miskienen retrosynen, En mocht geen grimmaasen met ou ensicht, moockt assekick bonne mijnen. Och, het stoot so wel datmen parmantigh en gracelijcken gaat. En korompeert u troony niet, houtet in die form, daar 't ou in staat. Zemers, dats bysart, dats braaf, dat groots, dats graaf, dats wel jentjes. Kuyst en vaaght wel nettekens ou kleekens en acoutrementjens; Neemt tansens de kladder, den borstel, den kleerbessem zulde? Dagge een Brabander waart, dat wilde kick om duysent pont, of hondert gulden; Ick souw ou annimeeren en addresseeren bay de grootste van 't lant. Ick sal ou promoveere tot doctor juris door ou bestjaal verstant. Gay zijt een merveille vande waerlet! Gay sult wel tot hoogheyt raken, Want ick sal ou souvereyn van Hollandt en van Vranckerayck maken. Een marquissaatschap of graafschap dat acht ick niet een seur. Kapitaynschappen, kornelschappen, hartoghschappen, daer stier ick kinders met deur; 't Is may de payn nie waart om daer eens op te dincken, Ick sode heel Gelderlant wel lichtelaijck wegh schincken. Ick kick hee die liberalheyt met onsen koning gemayn, Die heel Indyëeen wegh gheeft aan een simpel kapitayn, Al eer hy dat met macht van soldaten heeft ghewonnen. Nu ick moet ter missen gaan in't klooster bay de nonnen. Moor wat 'k ou vragen sou, sayde gay oock gedebaucheert? Daar en is geen dingen so goet als datemn spaarlaijck minageert. De minage, monsieur, passeert; 't is beestich datmen veel eet en drinckt. ROBBE Dits al weer 't ouwe deuntje. Ick weet wel met wat voet dat hy hinckt. Ick loof niet of ick ben op sinte Galperts nacht eboren, Dat's drie daghen voor 't ghelock; nou gheef icket verloren, De droes die helpt mijn an die gierigerts altijt. JERO Wat stode en snapperkoockt, he? ROBBE Och, meister, niet een mijt; Schijt, schijt, niemendal, ic ben geen eter, wy sullen de kost wel krijgen. JERO Een ayuynken, een ciepelken, een sneeken broot, en twee vyghen. ROBBE Een bientjen daar en pont vleys vijf ses an is, Dat liechter oock niet om. En as daar een paar vaans kan is Met Dantsicker smockkel of met dat mannelijck Rosticker bier, Daar ken ick het me wel of sien voor een uur, drie of vier; Dat souw wel seve luy segghen (wel verstaande: als zijt wisten). JERO Wat doen de liens anders dan say de spays verdarven en 't gelt verquisten? De soberheyt is een deughd, diens ghelijcken men niet en weet. ROBBE Dat is gheseyt in 't Duytsch: siet datje niet veel en eet. JERO Och 't is so ghesont op zijn juyste dyeet te leven. ROBBE Die raadt die moocht ghy dan de krancken wel ingheven. JERO Monsieur, het is devin datmen de temperancy observeert. ROBBE Gut joncker, 't is so goedt datmen wel teert en smeert. JERO Wat verschillen de mestvarckens van de gulsighe beesten? ROBBE De grootste dronckerts, heer, dat zijn de beste geesten. JERO Wie doeget? Hanneken, Wilken, Wuytjen, da niet dan fielen zijn. ROBBE De treffelijckste gheleerde die drincken de meeste wijn. Ick segget niet om my, sey de wolf, maar om mijn schamele moer. O seker! die geen rijnsche wijn met suyker en magh, dat is een boer. JERO De Hollanders, par Die, sy drincken als moffen en poepen. En dan is dat goeyken so wildt; sy schreeuwen, sy roepen Als brayneloose liens, alse sayn. Wayliens sayn modest. Zayn wy ter feest, wy sobereren met eten en drincken, is dat niet best? Wy kourtiseren d'ufvrouwen met discours dat niet vulgair is; Wy charlateren van onse participantschappen, en van onse affairis, Van den handel van Indyëeen, en van de Guyneesche Compagnie; Ick mayn zemers dagh een legioen engelkens sie Asse kick onse maachdekens sie; 't soch, sy sayn wel vroyelacyck van geest. ROBBE Ick gis datje my slacht, ghy hebter veel by eweest. O bloet, ick heb sulcken honger, ic wou dat ic al an't wangen was; Mijn buyck raast anders niet dan of mijn keel gehangen was. JERO Nu 't sa, laat ons gaan ter kercken tot ons Vrouwen-bruurs en horen mis, En dan sullen wy sien wa wy sullen kopen van vlees of vis. ROBBE Och dat is een krachtigh woort, daar praatje na mijn sin. Och priestertje, priestertje, haestje was, so krijgh ick hier wat in. TWEE JONGHENS EN FLORIS HARMENSZ, HONT -- SLAGER, met de baar uyt AART Aauwe, wille wy t'samen klaauwen? Ick ra stoof, Aauwe schijt; Aauwen is zijn klaauwen quijt. AAUWEN Y get gallich-veughels, gallich-veughels, laatmen gaan, Of ick selje, ick sweert, met de swiep om d'ooren slaan. Wat ryeme dese besuckte, bekrenckte schavuyten! Krijgh ickje inde kerck, ick selderje warachtich in sluyten. KRELIS Aauwe lmapoot, krombien, Ick hebje an de gallich esien. AAUWEN Hoe ryen mijn deze verbraneste scherluynen! Gantsch lichters, koom ickje by. Ick selje de bullepeees so sackereels elements leggen inje sy, Dattes jou heugen sel; ick selje byget soo ongenadigh oftouwen, Datje, by gantsch ackrementen! op een aar tijt je mongt wel selt houwen. AART Aauwen lmapoot, Aauwen lampoot, hebje dat hert een reys, So sel ick jou dat mes omdrayen in jou vleys. AAUWEN Ick sel de baar neersetten, dat loof ickje, o jy Gods gauwe dieven. KRELIS Dat is voor jou, lampoot. AAUWEN Houtme die jonghens vast, ey lieven, Keertse, om Gods-wil. Och so houtse vast! Loopt, schelmen, dat ghy jou beschijt! Hoe quellen mijn die weersoordighe, overgheven jonghens altijt, Sy ribsacken my wel, machet helpen. Ick arme kreupele ouwe man, Mijn bienen die ryen mijn so, dat ick mijn niet ophouwen eeen kan. Hy gaat sitten op de baar JAN KNOL, ANDRIES EN THOMAS JAN KNOL Wel Floris Harmensz., waar breng jy de baar? Wie isser doot? FLORIS Ariaan ien Pijntje, Peete Barberen man, jou ouwe laghenoot. ANDRIES Ariaan ien Pijntje doot? doot? Dat is wongder. Vertrouwt wat op den mensch: inde stadt was gheen gesongder Noch vaster man, die so wel in zijn vleysch en op zijn leen was. JAN KNOL 't Was jammer dattet sulcken stijf-sinnigen korselkoppigen Deen was. THOMAS Ey, laat de dooden rusten, seght van de afwesende geeeen quaat. FLORIS Daar hebje gelijck in, Thomas oom, 't gaatje wel, jy groote maat. JAN KNOL Het hy lang eleghen, van wat sieckten is hy gesturven? FLORIS Sy segghen vande gave Gods. JAN KNOL Seljer wel ingaan durven? FLORIS Wel, wou icker niet in-gaan durven? Dat is oock wat; wel, dat komt schoon! Ick gae 's nachts wel met de graefmaker in een kuyl van twintich doon! Ick deynck: stae ick mee in't rolletje, Soo sal't oock kosten mijn bolletje. En staemen in't rolletje, al hebje dan al de kruyen en drooghen van de stadt, Ten baat heen lieve moeren; men moet voort, al hadmen een bort veur't gat. Het volck treckt uyt vrees wech; maar ofmen op Tesselt was, De doodt komt overl al, alwaert dat ghy in een stiene muur ghemetselt was. De doodt spaert kleyn noch groot; tegehn de doodt en is gheen schilt; Daarom doet goedt terwijl gy kendt, en leeft soo als ghy sterven wilt. 't Is kunst te leven als de doodt komt, seyde nabuur inde Kooren Mudden. Maar wat sey Malegijs in't beghin vande sterft? Ick selder mijn gat uyt schudden. Hy koft by provisi al de droogen op van doctor Schol, en leyd'se in een kist, En selve lach hy, arme knecht, in Jaffa eer hy 't wist. Zijn vrienden en zijn erfgenamen die hebben heur ooghen schier uyt ekreten, Maar al sturvender noch so een vijf ses, sy souwense wel vergheten. Alle dinghen is nu wel, maer eerst waren sy bevreest, Hoe hy ghevoeghelijckt' sou gheven toch zijn gheest; Want siet, sijn havix neus die hing hem over zijn mongt, Zijn giest en gingh niet uyt of hy was in zijn neus terstongt; So quam het by dat zijn ziel niet kon verscheyden. Ick gheefje te raan hoe dattet Gijs in't lest anleyden. Hy liet zijn achter-deur open staen, En daer is hy inviesiebel door egaan, Want siet, hy schaamden hem selver, Vermits hy meer een arme delver Als een rijck koopman scheen; en asmen't segghen mocht, 'twas en bloedt. Wat zijn die rijcke kaack-haringen meer as slaven van haar goet? Sy zijn willighe armen, al hebbense goedt met hoopen. Noch prijs ick jou, Jan Knol, jy selter gheen langt om koopen. Waar veur soujet oock sparen, veurje moer of veurje breur? JAN KNOL Hoogher niet, Harlingher-man! Aeuwen, jy gater al wat me deur. THOMAS Al sturven al de rijcke luy, Jan souwer niet eens om treuren. ANDRIES Byget, Jan, dat de hielle stadt uyt-sturf, dan souje eerst eref beuren, Want je vaar was voorsichtich, die hetje stee-kijndt emaackt. THOMAS Dat gheef ickje noch eens in drien, dat's hem lustich op zijn hooft eraackt. Ay lieve, siet Jan Knol eens druyl-ooren; hy staet of hy sot is. FLORIS Hoort hier eens, Jan Knol, weetje wel dat Deensche Tomas banckerot is? Had hy geen pampieren harnas of quinckernel, hy haddet slecht. JAN KNOL Hoort hier eens, koopman van aelshuyden, komt hier, mijn lieve knecht! Heb jy niet een banckjen eleyt eertijdts in Wetphalen? Ick wil seggen, datje deurgingt sonder de goeluy te betalen, En dan hietet noch datje om de schrift gheruymt hebt jou lnat; 't Is de waerheyt: om de schrift die int boeck staet of ande want. Maer Karolus Quintus die heeft daer teghen gheschreven, Hoe datmen met sulcke dieven behooren te leven; De breiven zijn met groote letteren in merckelijcken druck; Wil jy se eens sien, Andries Giet-logen? So gaet op de Nieuwe Bruck, En siet na de Hooghe Noort ande Voollewijck; daer staen staken en stanghen. Daer sulje de brieven met haer zegelen bescheyelijck sien hangen. FLORIS Hoe voerje daer weer, geest? Was dat mis? Neen, dat was 't egaert. JAN KNOL Neen Thomas, wat mienje? Ic ben voor geen bancketrotier vervaert. Wat rijdt mijn dat volck? Dat ick schoon maer een vrient aan mijn gheslacht hat, En speelden hy banckerot sonder noot, ock sou hem hangen dat'k de macht hat. Men hangt wel duysent diefjes die door de armoede doolen En die so veel niet en hebben, als so een schellem, gestoolen; Dat een mensch tot een ongheluc komt door een ander, of door ongeval op zee, Of door ander avontuer, daer heb ick seker melijden mee, Of die 't door zijn boeck-houwers of kassiers wert ontschreven en ontdragen, Die luyden zijn waerachtich rechtvaerdich te beclagen. THOMAS Dat is seker waer. ANDRIES Wel Jan Knol, binje mal? Waerom sinje quaat? JAN KNOL Ick segh: men hoort de moetwillige banckrotiers te bannen vande straat, Iewers alleen; en soo sy dan buyten haer bepaalt besteck ginghen, So hooren heur de jonges met slick te goyen en met andere dinghen. ANDRIES Hoe veel dooden, Floris, hebben wy nou wel gehadt vande weeck? FLORIS Goelickjes soo veel als lestent, of wat min, 't is op een streeck. Wat vraaghje mijn dat? Vraaght dat de labbekacken an 't kerckhof, Die daer een heele aftemiddach staen en maken daer haer werc of; Daer staen die larysters, zy an zy, dromel by dromel, hanght an hanght; Daer hebje Elsje Koockleckers, en Stijn Snoeps met haer linckermangt Vol ghesoon karstenghen en aerdaeckers; sy snoeyen, en sy teesen; Ginder staet Lijs Gors in en stoep, en begint haer getyen te leesen, En staet en preutelt soo rat, dattet schijnt dat sy gaeren 'e eyndelvaers hat, En heur mongt die gater aers noch aers, as'en tellenaaer zijn aers gat. Dat is so haest niet uyt, of daer wort van de dooden wat epraat. Wachtje voor dat klootjes volc: dat goet weet van alle katte quaat. Daar hebjet: 't was sulcken loopert, sulcken verchtert, sulcken guyt. Daer isset: deynckt en reys, onse Lobberich is de bruyt Met Harmen Glad-muyl, en sen wijf het geen maent doot 'eweest; Ick wetet, wangt onse Jannetje Stronx die hetter speel-noot 'eweest. Heer, seyde Nelletje, hoe verweent is onse Klaasjen Boelen 'ekliet, Hoe ondeucht, hoe ondieft, sy moetet al mee hebben, sou sy niet? Een sulvre sleutelreex, een blancket blauwe roc, en een doec met slippen, Dat sey Muruwe Niesje, so stroncktich, met sulcke scheetsche lippen, Datje jou souwr bepissen, dat ghyse maer eens aensacht. Kijnt, seydse, 't is sulcken kaackster, sulcken snapster, sy swijght niet en beet. ANDRIES Ja, deynck ick, soo slacht sy jou; ghy swijcht oock al dat ghy niet en weet. Maer Floris Harmensz., is dat waer? FLORIS Die sit daer op een luyfe, of op een pothuys, en houter net register of, En daerom komtet, datse altemets soo deerlijck en soo droef praat; Sy weetje op een prock hoe veel volcx datter mee te groef gaat, Hoe veel rouw-mantels, hoe veel korten, hoe veel huycken, en hoe veel falyen, En hoe veel wittebroots de rijcke-luy geven door de tralyëeen, En so veel gelts, Andries, datter het eynde is of 'ewech; Nou, ick mach gaen, eer ickje meer van die kackebeyen sech. JAN KNOL Mijn groote kammeraet, ghy moet hier noch wat staen; Ghy moet ons van de ouwe mannetjes oock wat verslaen. THOMAS Nu set jou baer neer. Wat so, komt by de gesellen; Ghy moet ons heur legenden oock na 't leven vertellen. FLORIS Mijn tijdt die is heel kort, daerom maeck ick gheen langhe teem. Onder het uurwerck inde Nieuwe Kerck, daer sit sulcken veem Van ouwe praaters, van koddenaers, en van ouwe klouwers, met heyr hangende hoofden, met hooge ruggen, en kromme schouwers. Daer sitten de druyp-neusen, die sijp-oogen, by me kaar. Dorstige Vranckje seyt: Mieuwes, ghy bent al tachtich jaer. Ick weetet an mijn selfs, ghy en ick wy ginghen't school tot heer Floris, Lycentiaet van Amersvoort. Maer wat een malle kay is meester Kackedoris; Die vent die was geck, en hy mienden goet schick dat hy wijs was; Wat hebje hem al diets ghemaeckt! Ghy praaten hem toe Dat ghy een konijn had als een olifant, en dat het jongden als een koe, En duysent sulcke sticken; hoe dat ghy een ael hadt die so lang was, Dat hy in Engelant zijn hooft op stac, daer zijn staert hier ant strang was. Hoe schuddebolden die ouwe kluyvers om de rabbauwery! En asse eenige schelmery hoorden, so quamen sy al nauwer by. Vertelde Jan Selde-war niet hoe dat hy om een voetje enoot was, Vande outste harpslagers van Amsterdam, hoe hiet hy? Jan Vlas; Hoe hem zijn vaar in huys sloot, en op hem begon te grimmen; Wat het hy te doen? Hy gaatje daar after over de schutting klimmen; Hy gaat na de bruyloft; daar hadje Frans Witte-broodt en Jan Treck, Die kiften vande beerstekers een tovven of twee met dreck, En sy groeven op de stoep, en sy lieten 't daer in dysen, De leckere gheparfumeerde soete kauw ghyse. Daer saten lidters met de mangtels veur de mongt; Mit datmen noom komt tasten, valt hy bedoven inde grongt; Hy kreet en hy bruysden, het scheen dat hyer in versmachten. Je souwje kruyst enne zeghent hebben, hoe hy vloeckten, en hoe sy lachten. Stil, stil, seyden sy, wy hebbender wat me veur! En met so klopten sy ongheschikt en lelijck ande deur; Met dat het bruylofs volck over hoop quamen uytloopen, So villen, en gingen sy d'een den ander inde moster doopen; Daer stondense besuyckerkoect, aars noch aars ick weet niet hoe. En sulcke potterijtjes die metense melkaar met schepels toe. Ick docht altemets: mochten hier sommighe luy wat inde hoeckjes blijven, Sy souwender almenacken, en nieuwe tijgjes en boeckjes schrijven. Meenje dat icker me geck? 't Is waer, ick hebbet selfs ghehoort. Adieu Jan Knol, Thomas, en Andries; want ick moet voort. DE TWEE JONGHENS, JOOSJEN EN CONTANT JOOSJE Wie wil knickeren koopen? wie? wie? ses om een duytje. CONTANT Schiet op om een paar, hebjet hert, of ick stuytje. JOOSJE Ick binder me te vreen, kom an, gheeftme de vier; Komt jongen langtme je hoet, komt as een man hier. CONTANT Wat raje, ja kammeraatje, even of oneven? JOOSJE Even. CONTANT Een uyt Joosje, siet, daer leggender seven. JOOSJE Wel an kom, ick ben te vreen; om die hiele acht; Houwt daar dan Kontant, stuyt recht uyt, hebje de macht; Siet, daer isser uyt, laet sien...en daar isser vier in: O lieve neskebol, scheyter uyt eer ick mier win. CONTANT Jy bent en onreynigert, ick moet opje hangden letten, Komt an mannetje mugg, ick speelje by vyven op te setten. JOOSJE Geefje mijn ierst? Ick geef je ierst en een schoot. CONTANT Wat brabbelt mijn die ficksert? Datser een op sen poot! JOOSJE O bloet, datsen vlacken barck-man; die jongen die kan schieten. CONTANT Souw ick altijdt verliesen? Dat souw de nicker verdrieten. JOOSJE Hoe veel hebjer uyt? CONTANT Een en al de aren. Datse eveldt en eschoten! Lansjen, ick selje dat wel of klaren. JOOSJEN Sieje wel, dat is een span; ick set hem. CONTANT Ick hou meeta. Yget, schiet ickje op jou santert, jy hebter niet een beet na. ...Hy is geraact! CONTANT Hy is niet! JOOSJE Hy is al! CONTANT Hy is niet! Jy selt mijn de knickers weer geven, snappertje! Soo, siet! Lustje wat mit drooge vuysten? JOOSJE Ganslyden, is dat byten! Floris uyt FLORIS Komt hier, jy elementsche jongens, ick selje lieren smyten, Jy schelmen, houwt dat en dat! CONTANT O jy slaat mijn doot. JOOSJE Bae neus! hinckepinck! lamgat! aeuwe lampoot! FLORIS Keertmen die bengels! houtme de jonges! houtme de fielen! CONTANT Hey Joosje, mijn beste maet, komt laten wy gaan soecken ouwe zielen; Wy sullense die wraggel-gat, die lampoot, werpen op zijn sack. FLORIS Waer zijn die jongens ghebleven? Sy waren daar noch strack. JOOSJE O lieve aeuwe lampoot, mienje dat wy na jou wat vraghen? FLORIS Krijch ickje, krijch ickje, so krijghje de huyt vol slaghen. Naar het voorwerk Naar het tweede bedrijf TWEEDE DEEL JEROLIMO EN ROBBEKNOL ROBBE T is hier oock gien deech; ken weter gien huys te houwen, Want hier is hongher ebacken en dorst ebrouwen. JERO Bay, woor sayde gay, dagge me niet en kuyst Mayn mantel en wambays? Sach, zaijnso bepluyst. Kom hier en sieget eens, gay moetme voorts wat keeren; En hebdy geen borstel? ROBBE En hebdy gien swijns veeren? Daar isser gien in huys. JERO Maar wat est daghe al secht? ROBBE Ick seg niemendal, heer. JERO Schickt my de lobbe recht, En krijcht my mijn bonnet met den royen plumagie, En mayn stekade; gaat voort, haalt water, pagie, Met een suyv're dwaal, en het vergult lmapet. ROBBE Wat rijdme de vent? Hy weet wel dat hy niet en het Dan een gebroken pot. JERO Maar wat roert ghy de snater? ROBBE Siet joncker, ick heb hier de hant-doeck en het water; Ghelieft u oock yet meer? JERO Ten komt mayn niet te pas Te antwoorden asse kick ansicht of handen was; Gay suklt na mayn mont zien, en hooren na maijn hemmen. Haalt maijn yvoren kam, ick moet maijn hoot wa kemmen. ROBBE Hey, dat isser ientje! Soo mijn ooghen wis zien, So isset uyt de start van ien schelle-vis bien. JERO Wat saydy een drol een; hoe stan nu mayn locken? ROBBE Sy krullen as een wijngert, seecker sonder jocken. JERO Wat dunckt u van mijn hayr, en ist niet schoon en blont? ROBBE Ghelijck een Engels knijn, het wert al moytjens bont. JERO Hoe staet mayn de bonet, en dese jente vaertjens? ROBBE Joncker, jou hoetje staet wel netjens op drie haertjens, 't Is dubbelt ondieft. JERO Hoe past my dese kraach? En staets my al wel? ROBBE Joncker, is dat een vraegh; En sou jou goet niet fray, niet wel en aerdigh passen? Jou moer hetter jou lijf van joncx na laten wassen. JERO O Robbeknol, dach gewaer, dat is so excelletn, 't Is vanden ouwen Wolf. ROBBE Ick heb hem noyt ghekent. JERO Ick weet geen gelt so lief, daer ick het voor sou geven, Want meester Tomis noyt soo goet moockten zayn leven; Sie daer hoe daget gruys daer af stuyft dick en vol; 'k Wed': ick hou overmidts daar mee een saack met wol. ROBBE En ick een roggen-broot met dese beene tanden; Al wast van twaelf pont, ick brochtet heel ter schanden. JERO O 't is een goet stuck wercks, maer hoe? 't Steeckt door de schay. ROBBE Dats ops'en hovelings, een edelman staet dat fray. JERO Rob'knol, ick gae eens uyt tot ons pastoor en koster; Wat missick, paysse kick, mayn houten paternoster? ROBBE Daer gaet den armen bloet wel fier en moedich uyt; Dats ops'en genevoys, nou, moytjens as de bruyt. JERO Wel Robbert, maecktet bedt; het huys wart ou bevolen; Haelt wooter, sie wel toe, da ons nie wart ghestolen; Soo g'uyt gaet, sluyt de poort, en lecht de sleutel dan Op dese richel, op dat ick incomen can; En slaget 't eeten gay, dat 't geen ratten verderven. ROBBE Quammer een muys iin huys, hy sou van honger sterven. Hoe groots treedt hy daer heen, hoe aertich op zijn pas; Soumen niet seggen dat het zelfs zijn hoocheyt was, Of ymant van zijn raet, so trotsch is hy van wesen? Heer, daer ghy send' de sieckt, daer stierdy oock 't genesen. Die dees mijn heerschap sach so kloeck en wacker gaen, En sou hy niet vermoen, hy had' een t'sech gedaen Die hups en lustich was? Maer wie soudt connen weten, Dat gist'ren, noch van daech, hy niet en heeft ghegheten Dan een kruympje drooch broot, dat ick droech op mijn borst, In plaeets van een tresoor, wel gruysich en bemorst? O Godt, u wercken zijn van wonderbaer vermoghen; Wie sou niet met die schijn van welstant zijn bedroghen? De jongman komter an, treet gelijck een prins Die genich dinck gebreckt, maer die 't gaet na zijn wins; Hy is wel uytghedost en comt hier an brageeren, Al had' hy duysent pont om jaerlijcks te verteeren; Wie sou eens dencken dat zijn bulster of zijn bedt Geen daelder waert en is, met alles wat hy het? Wie sou eens dencken dat hy smorghens kan ghedooghen Zijn handen, aensicht, aen een vuyle slet te drooghen? Ach, dit denckt niemant niet! Maer ghy weet Heer, met mijn, Hoe veel dat hem gelijck in dese werelt zijn, Die meer om yd'le eer en pronckerye lyden, Als om u heyl'ge wil. O recht vermaledyde En lichte glory van een sulcken sot ghemoet, Dat ziel en lijf veeltijdts hier bankrottieren doet. Wel, hoe ben ick soo veer mit mijn ghedacht ghekomen? Voorseecker was ick daer gheweldich op ghenomen. Nu ick wil binnen gaen en sluyten 't deurtjen toe, Want 't is voor al het best, dat ick mijn werck of doe. DE TWEE SNOLLEN, TRIJN JANS EN BLEECKE AN Neen bygut, Trijn, dat waren nobele baassen! O, se kannen een kan lustich werpen door de glasen, En vangense buyten'shuys. De jonckste was een lanst! Gants lyden, ick heb mijn buyck nu iens vol edanst; Waerachtich, 't was een geest, by men sy, ganswongde, Ick haet de drooch-nappen, die gierighe hongden, En ick prijs werentich een rijcke milde pol; Ick segh noch: o de kencht ken omgaen met een snol! Maer Annetjen, segtmen iens, wat isser wel op eloopen? AN Een moye Spaense mat; daer wil ick wat moys om koopen, Eert deur de ving'ren druyp, is dat niet best, Tryn Jans? Heer, ick heb sulcken sin in klickers op zijn Frans; Ick woprder schier wilt om, als ickse maer hoor kraacken; Ick seghje dat se souweme wel gaende maacken. Maer Trijntje, wat kreegh ghy? TRIJN Een halve pistelet. Ick heb nou lestent wat goets, wat snuyterings, verset; Daer is mijn lommertceel; leest: hoe veel moeter wesen? AB Wat karackters zijn dit? De duyvel mocht dat lesen" Een kruysje, een krulletje, een streepje; par giert, Dits nickers-gheleertheyt, door Heyntjeman versiert. TRIJN 't Is my alleens hoet is, as ick an't mijn kan raecken; Dat doen zy slechts om dat het niemant na sou maecken. Ay-lieve, gaet eens mee, hier inde veruwery, Tot pockdalige Neel, 't is doch hier dichte by. Wel, hoe schoorvoetje dus! Ghy moet noch niet verdwalen; Dit wijfje sal voor mijn eens met een snap gaan halen Mijn schort-haack, in mijn schort, mijn schorteldoeck, mijn huyck; En set iens watten slort heb ick hier vuer mijn buyck; Ick spu dat icket sie, 't is vol stoppen en lappen. En siet: ick sel terwijl een vaentje laten tappen. Maar hoe stoeyde ghy so met sulcken groot ghewelt? AN Dat loof ick wel: de vent en wod eerst niet van ghelt; Hy loofden my een jack, twee rocken en een vliegher. Specy in manum, seud'ick; God is geen bedrieger. Ick sal't gheven, seyd'hy, so waar als ick hier stae. Die zijn gelt te voren gheeft, seyd'hy, die mint op genae. Doen seud'ic: soo veel te loven en niet te geven, Dat doet, borsje, de malle luy in vreuchden leven. Dat gat en boordje niet, seyd'ick, soo jongman fijn; Ick ken soo wel een boef, als al de boeven mijn. En met soo sloech hy munt. Ick sou niet kunnen spreken, Of hy, of ick, of wie dat eerst opsloech de deken, Maar immers weet ick wel: as ick hem sach so net, So docht ick datter quam een enghel in mijn bet. Jero. uyt. Hola, hier komt een man die 't schijnt dat vry wat drock het. Swijcht! Goeden dach signeur, weetje oock wat de klock het? JERO De klock, herteken lief, die is ontrent den tien. Maar s'jasus, wa ghluck, maar enghelijcke lien, Maar beeldekens van gout, met goeyen salutacij Kus ick de handekens van ou beleefde gracy! Kee hertekens, woor heen dus sonder serviteur? TRIJN Wy wandelen met vermaeck by desen rijvier, monseur. JERO Triumphante vroukens, met eer en deucht bepaerelt, Die met ou oogskens dwingt de grootste vande waerelt, U alderminste slaaf die gay weet op der aart, Die wenst ou al het gheen de gay denckt en begaart. Ick bid ou majesteyt haar so laach te verneeren, Dat ick een letsken mocht met ou wat pourmaneeren. AN Dees bede niet alleen sy gheconsenteert, Maar wy houden daar toe ons grootelijcks vereert, Soo wel door u persoon, als door u reverencij. JERO Goddinnekens, ghy verwint in schoonheyt en scienty De wijse Pallas, en de suyv're Diaan, De blonde Venus, en de dochter vande Swaan, De Spartsche coningin, die 't hoochmoedige Troyen Ten bloet en brande brocht, en 't Griecksche leger doyen O monarchale vrouw! Da ou dien Phoebus sach, Dat groote licht en sou niet stralen desen dach: Hy soude sayn karos en paarden laten rusten, Om te gaudeeren en godderen in zijn lusten. TRIJN Met oorlof mijn Heer, ick kan u niet verstaen; Ghy spreeckt als een Portegijs, of als een Italiaen; Ghy loopt ons veel te hooch met u poeetiseeren. JERO. Provinciale maecht, hoe kundy discoureren. Ghelijckals den Parnas' van henste-woter spuyt, So vloeyen van u tongh de schoone woorden uyt. De Mussen hebben u in plets van moeyers speenen Ghevoeyert en ghesoocht met goeyen hippocrene. Wat kout ick, sotte-bol? De goyen kleen en groot Die houden hun paleys int midsen van u hoot. Sy singhen daer musijck in u retorikale sinnen, O ghy Bataviersche Marcurialistinnen! Iemersm ghelieverkens, ick beeld my woorlijck in Dat ick by menschen niet, maer da 'k by Nymphen bin, Die inde silv're vloet des Amstels dickwils bayen, En dagge op het lant hier somtijts komt vermayen. 't Sichtens dat ick ou sach, Heliconninnekens blijt, Kreegh ick vermoeyen daghe Jupijns susters zijt. Devine dochterkens! Hertekens! Heder tsegen, Het geen ick admireer? Och lief, ick denck wel negen! Princeskens of ge wa saat, en songt ons wat fraas. AN Joncker, hebje wat nieuws, geeftet my, eelen baas. TRIJN Ick selje weer wat soets ter gheleghender tijt vereeren. JERO Een baysloopen juffrouw, dat sode kick wel begeeren. TRIJN Dats u ongheweyghert, een vuyst in u oogh! JERO 'k He daer een nieuw lieken, maer't is my wat te hooch. AN Ey-lieve, laet eens sien, of wyer wijs op vonden. JERO En breecks niet, want't is my vanden hertoch gesonden; Wast gheen raar dinghen, lief, hy hads my niet gestiert. TRIJN Ick hoor wel datje met gheen slechte luy verkiert; Mijn joncker, set u neer, ey, latet mijn eens kijcken. Sy singen: Betteken voer na Maerye-mont TRIJN, AN, JEROLIMO, ROBBEKNOL ROBBE Mijn bet dat is ghemaeckt, nu mach ick eens gaen strijcken Nae 't Raempoortjens-steyger, en vullen dese pot Met klaer water. Hoe nou? Wel, wordje nu niet sot, Ja wel, beschijtje niet? Mijn joncker by twee snollen! maer toch, mijn lieve man, lust jou noch wat te krollen? Ick sie mijn ooghen uyt! Ick prijstje! Soo, mijn vaer, Wat gater voor de ruymt, so twietjens voor een paer? JERO Joffrouw, ist niet schoon? Zijn hoocheyts hovelinghen Die worden wilt en broets, als sy da lieken singhen. d'Infante singhtet selfs; de vrouwen van hoor staat Die schreeuwent door het hof, en krytent over straat. AN Maar joncker, watje seght! JERO De wichters van dry jaren Die 'tgilpent elcken een. TRIJN Ja, watte vreemde maren. JERO De guyts en lackerkens die leerern dat veel eer Als haar pater noster, of yet goets van ons Heer. ROBBE Wat of de geck al praat? AN Mijn heer, wille wy rysen? JERO O joffrou, wildy my een courtesy bewijsen, So laet u slaave toe dat hy u eensjens kust. TRIJN Nou, joncker, niet te stout, ay lieve, houtje rust. ROBBE Ick lachme an me eyndt, hoe nou toe, joncker pover? Hem komt me as de luy een kermis-vreuchjen over. JERO Ick bids u, laat my eens; ist meug'laijck, latet zijn. AN Komt joncker, laat ons gaan, en leyt ons inde wijn, Hier op de Klieveniers, daar gaan de nob'le baasen. JERO Ick he de moeyten niet, ick moet te noenent raasen, 't Gaet na den twelven toe, ick moet zijn op de bots, Om mayn trafeycken en besoingen, par fors. TRIJN Wel joncker, schenckt ons dan een halif stuck van achten; Wy sullen waar ghy wilt binnen of buyten wachten. JERO Men siel'ken weet gheen raat, een rijck man die het heet! Juffrouw, 'k he gheen tijdt; oock wil ick dagge weet Da meyn de coningh selfs heet generoos gheschreven, Dat hy my heet het ampt van zijn koetsier ghegheven; Dats een superbe last, gentiel en magnifijck; Dies schouw 'k tavarens viel, want 't is te mikanijck Voor liens van staat, als kick, zemers de glorioosen: Die moockt hem niet ghemayn met masens en vuylnoosen, En sulcke ghepuffel; een man van authoriteyt Die vuyght sich steets by volck van zijnder qualiteyt. Hierom joffrouw, dunckt my, so ben ick excusabel; Ten insicht van mayn staat en ist niet honorabel, Want liens die in haar eer en reputacy staan, Die moeten by gheen wijn noch lichte nacy gaan. Behalvem dat dees twee des menschen welvaart krincken, So raecktmen uyt 't credijt voor vrouwen en door drincken. Gracyose vroukens, mayn tijt die is voor by; Ie vo bassa la man de vostre signory. ROBBE Trouwe Luyckes he kent! Wel miester, jy hebt grepen; De hoeren nyghen; hout, jy sult jou hembde slepen; Siet hoe dat hy sijn kap gheslinghert en ghesemten het. JERO Ick kus de vloy, juffrouww, die op u hont gheseten het. TRIJN Gaat heen, ghy grootsche geck. AN Gaet heen, jy kalen neet. Kon ghy hem wel verstaen? TRIJN half. AN En ick niet en beet; Ick docht eerst dat ons Godt een groot kadet verleenden. ROBBE Deur gaet mijn heerschip treen; hy wast niet die sy meenden, De veughel was te schraal; ay siet, de swanen sien Na yemant van heur volck, en juyst en komter gien. Nou ick mach gaan na huys, en schickent daar te deghen. Maer holla, ick en heb gheen water noch ghekreghen. AN ENDE TRIJN AN Ygut Trijntje, het scheen dat hy u wel bevil. TRIJN Die hongs-klinck, wat? Hy mocht dat ick niet seggen en wil. Wat sou die gatvinck doen? Hem schorten maer een praatjen. Die lansknecht van te nacht, dat was een ander maatjen. Maer Annetje, hebje lang gheweest in't groote gilt? AN Ja, al van mijn vierthien jaar zoo raeckten ick op 't wilt. Ick woonde buytens-huys, en daar ick quam te woonen, Daar stoeyden ick altijts met de knechtjens, met de sonen. Ghy weet wel hoe 'het dan gaet, daermen soo stormt en malt, Dat het kort-hielde volck licht after over valt. Hoort hier, ick selt jou vertellen metten korsten. Mijn miesters ouwste seun die tasten staach mijn borsten; Ick weerde mijn niet seer, ick lietet hem al doen, Want siet, hy hadme lief, en ick was oock zoo groen Dat ick hem tockelde as hy mijn niet anraackte. 'tGhebuerden soo ick eens zijn bedde wat vermaeckte: Hy greep mijn in zijn arm, en smeet my op het bet. Ick kantje niet kallen, wat hadd' de knecht een pret Eer hy quam tot zijn wil! O mijn! hy kon so prachten. TRIJN Kreetje niet? AN Kryten? Wat? Ick barste schier van lachen; Het gingmen anmen hert. Ja wel, het was so soet. Hy koftme alle ding: een sulv're vingher-hoet, Een sleutelreecx, een tas, een paar engelse messen, Met een moye nuwe huyck; 't goetje was van sessen. Ick streeffden assen vos, in mijn beste gheweyt; Ick gheleeck sondaechs meer de dochter dan de meyt. Maar 't schijnt wel: gheen geluck en mach hier langhe duuren, Wangt een labbighe hoop van afgunstighe buuren, Die ginghen by mijn vrouw, die simpel was en selcht, En seyden: siet wel toe, de waghen gaet niet recht; Jou mayt gaat dus verweent, 't is van haar niet ghekomen; Jou man gheeft heur dit goet, of sy heeftet ghenomen. past op jou ghelt en la. Mijn vrouw sie streetmen an Als dat ick my verliep met haar ghetrouwd man, Het welcke ick ontswoer by ziel, by sancte, by leven, Soo lang tot dat zijt haar ten lesten heeft ontgheven; Maar niet te min zoo bleef 't gegriffijt in haar zin. Want wien de jalousy ter herten eens laat in, Daar sal sy haar een plaets in eeuwicheyt behouwen, In't man-volck niet so seer als in jelourse vrouwen. Mijn vrouw' die gingme na, in huys en op de straat. Hoort hier, wat gaan sy doen? Sy scheeren daar een raat, Waar door de bommel most eens endeling uytbreken, Want s'hebben een haar nicht by mijn vertreck versteken. Des nachts, na mijn ghewoont, soo ben ick opghestaan En by mijn vryer voort gherust te bed ghegaan. De nicht quam uyt haar hol, en heeft een kaars ontsteken, En is mijn proper na van liever lee ghestreken. Maar doese boven quam, daar vant sy't lieve paar In alle vrien'lijckheyt gheleghen by men kaar. De moer gaf mijn men sack, ick mostmen goetje nemen En gan ten huyse uyt; hem stuerdense na Bremen. Zoo quam ick by de luy; wat sal ickje meer seggen? Maar hoe quam jyer toe? TRIJN Maar hoort, ick seltje segghen. Ick diende inden Nes in een huys wel vijf jaar, En samelde mijn ghelt en goetje wel te gaar. Ick won een groote huur, en ick kreegh veel gheschencken Van breng-loon, van verval, meer alsmen wel sou dencken. Ick schraapten zoo te hoop, want siet ick hielt te raat, Soo dat ick koft en kreegh al wat dat vroech opstaat. Daer na soo docht ick eens een kamertje te huuren, En gane by de buurt uyt wassen en uyt schuuren. Soo ick docht, so dee ick; ick was de weelde moe. Ick seyde mijn huur op; mijn vrouw' die sach bril toe; Zy vraaghde mijn de schort, en of ick meer wou winnen, En of ick was verlooft, oft wat ick sou beginnen. Ten lesten, 't quam'er uyt dat ick op mijn selven wouw. En siet, des s'meys daar an, zoo toogh ick van mijn vrouw. Ick ging mitme speulnoot buyten inde Kathuysers, Daar quam een knecht by ons, een vande jonghe vuysers, Een seun vande Zeedijck; ouwe Dirck hiet zijn vaar. Die praten my soo schoon, wy maackten 't hylick klaar; Wy trocken na Haarlem; daar ginghen wy logeeren In een goe herrebergh, by andere luy met eeren. S'NAchts als ick lach en sliep, soo stal hy al mijn gelt, En ging stilswijghend' deur, en maeckten mijn niet wacker, En ritsten ande wijnt, over velt over acker. Des morghens, Annetje, als ick uyt mijn droom ontsprong, Ick taste nae mijn lief, die 'k nerghens niet en vong. Ick riep hem by zijn naam, ick sach na tuych en tas; Ick sweem als ick vernam dat hyer deur me was. Den rouw die ick bedreef sou niemant kenne schrijven; Mijn huyck die most daer toe noch voor 't gelachje blijven. Daar ging ick troostloos heen beschreyen mijn fortuyn, Dat door de Syjel-straat, na Over-Veen in't duyn, Al waar een burgher die ter jacht ging, my verselde, Die ick mijn avonturr en ongeluck vertelde. Hem jammerde mijn leet; ick docht hem passelijck schoon, En hy vereerde mijn een gouwe Fransche kroon. AN In dat veur niemendal? TRIJN O dat kan jy wel deyncken, Wat de Haarlemmers veur niet een vreemt mensch souden scheyncken! Sint die tijt liep ick oock, maer niet by elleck ien: 'k Wouw liever een schijt-valck dan een smeerick broeckjen sien. AN En hebje van die schel geen tijngh of niet vernomen? TRIJN Niet anders dan dat hy van oosten is ghekomen; ck ben met hem in recht; bylo, krijcht hem de schout, Het kost hem licht de kop, al waar zijn hals van gout. AN Wat was voor een fatsoen? TRIJN Hiel fray, maer 't was een scheeltje. Wel goeden dach in huys, wel hey! waar sinje Neeltje? ROBBEKNOL alleen uyt Hier is huysraet noch niet, het is hier woest en leech. Ja besem, vleugel, niets daar ick het huys me veech; En 't heeftet wel van doen: sie ick onder, sie 'k boven, Het isser beklontert, beraecht, en so bestoven, Dattet mijn verwondert dat sulcken edelman Hem met dit byster nest te vreden stellen kan. Wel, wat sel ick nu doen? Gaan uytsien om mijn broot, Want so ick langher wacht, ick blijf van hongher doot. Mijn meester, so mijn dunckt, die heeftmen al vergheten; En of hy noyt en quam, sou ick dan nimmer eten? Neen, dat is niet geseyt; 't is best dat ick heen ty, De groote huysen an, de kleyne niet verby. maer holla! ick most hier de sleutel nederlegghen. Binnen Als dan mijn joncker komt, so heeft hy niet te segghen. JEROLIMO Zemers, 't ghemeyne volck is hier wel rouw en viel: Ten maackt gheen onderscheet in een pompeuse ziel En eenen groven fiel, die simpel, slecht en sot is. Zekers, ick bedruyf may dat hier het volck so bot is. Komt hier een prins of heer de landen te besien, Sy sullen haer respect noch reverency bien, En met ghedeckten hoot staan sy en speculeren, En latens' onghegroet en onge-eert passeren. Ons Brabant heeft de prijs voorwaer van alle lien; Het volcxken is beleeft en van een goet ingien, En eloquent van sproock, en gratioos in't eeren, Manierlijck opgequeeckt als kinderen van heeren. De minste borgher is zoo vriendelaijck, en soo beleeft, Dat hy de vremde man gheen quayer woorden gheeft Als: hoort herteke lief! wa soeckdy? wa begaarde? Na wien vraachde gey? na Peter de ghelaarde? Ach Heer! 't is mijn kompeer. Voort Gilles of Perijn, Brenght dese buyten-man by oomken Peers kosijn, Naast De Blaeuwe Boterham, by Hanssens zoons grootmoeyers, Daar dichte by 't Bier-hoot. d'Hollanders sayn maar bloeyers. Sy zeyn niet generoos, hoe rayck sy gaan in 't swart; 't Hantwerpen gheen soo slecht, die op de vrydachs mart, Alsmen de palmslach slaat, vrouwen niet kopen Borsten van gouwt en zijd', gheciert met gouwe knopen, En rocken van sattijn, en tabbaerts van flouweel; Die draghen yder een, ja de hoeren in't bourdeel. 't ~Zijn kourasieuse liens, Maer, is de sleutel buyten? Mijn jonghen die is uyt, ick mach de deur ontsluyten, En vouwen op mijn kap, en leggense te pars. Dan wil ick op de plets wa wand'len over dwars. ROBBEKNOL, etende, vertelt zijn avontuur Dat heeft zijn ouwe smaack! Wel op, mijn magre koonen, Nou moetje eens jou kunst en jou vermoghen toonen. Siet hier is speck tot palm, hier hebdy 't al na wens: Gave lever, goet broodt, ossen-muyl, schape-pens, En beuling, en koevoet; hier is wel veul te bancken, Ick heb de goede luy wel hartich te bedancken. O bloet, hoe krijch ick 't op? Mijn buyck die staat al stijf, Want ick heb schier een broodt van twaelf pont in 't lijf, En daer toe noch npan met excellente grutten; Daerom ben ick besorcht hoe ick dit best sal nutten. Al weer-an, seu de meyt, dat gater weer na toe. Elementen, wat is dit? Mijn backhuys dat wort moe. gants lyden, och wat raadt? Hoe sal mijn joncker kijven! De klock die is so laat, het is al voer vyven. Dats gang, ick kklop, o mijn! JERO Wel, waar hebde te gaan? Waer sydy doch gheweest? ROBBE Och heer, wilt my niet slaan, Want ick heb u ghewacht al over de twee uren; Ten lesten ick en kon van hongher niet gheduren, Zoo kreet mijn holle maach, die half was in 't slot. Die ick my selfs beval de goede luy, en Godt, En siet, die hebben my ghegheven dese beetjes. Wel, dat aansicht staat niet stuurtjens noch niet wreetjens. JERO Oock heb ick ou vertuyft met den eten, maar wat Ick beyde, ghy en quaamt; ick ging toe toens en at. Voorts hede wel ghedaan ou Gode te bevelen, Want 't is veel saligher te bidden dan te stelen. Zoo helpt my Godt, Robbert, 't is my in 't minste leet. Een dinghen bid ick ou: maackt datmen niet en weet Da gay hier bay mayeen woont, want ick wol ou wel sweeren: Het sode woorlijck may te na gaen maynder eeren. 't Es wel woor dat ick hoop dat ick niet en wert gheschent, Vermits dat ick alhier zoo lettel ben bekent. En of God wilde da ick ware t'huys ghebleven. ROBBE Mijn joncker, ick behoef geen tol daar van te gheven, Hebt daar gheen sorghe voor. JERO Nu eet doch, arme bloet; Misschien wanneer ons Heer ons arremoet versoet JERO Robbert, mijn goeyen knecht, t'sichtenhet ick hier quam woonen, Was ick noot wel te pas, noch hebt niet wesen koonen. Dit huys moet zijn ghebouwt op een quay gront, dunckt mayn. Oock zaynder huysen die seer ongheluckich zayn, Mits sy den huurling ghemaynelayck als my dit doet; Daarom beloof ick ou, soo haest de moont gaat strijcken, Mijn ongheluck en 't huys ghelijck'lijck te ontwijcken. ROBBEKNOL die gluurt ter zyen uyt Hoe loert hy op mijn pens, hoe kijckt hy na mijn broot. Ay siet, hy treckt niet eens een ooghje van mijn schoot, Die nu mijn tafel is; siet zijn ghesicht eens vryen! 'k Heb met den armen bloet warachtich medelyen, Want ick heb menichmael geleden dat ghewelt, En ly oock daghelijcks het gheen dat hem nu quelt.\ Wat sal ick doen? Hem noon? Hy sal 't my gheen danck weten, Want siet, hy seydt dat hy te middach heeft gegeten. Nochtans meen ick dat hy te meer niet heeft ghebickt. Ick wou wel dat zijn smart een weynich waar verquickt, Ghelijck het gust'ren was, doen hy my hullep smullen, Doen ick zijn hongers noot met kruympjes ging vervullen. JEROLIMO Voorwaer Robknol, 'k sie ou met verwund'ren an! Gay hebt de besten aart die oyt had eenich man, Want wie ou eten siet zoo grocelayck van kooken, Die kundy appetijt en nieuwen hongher mooken. ROBBE O daar en hadjet niet, maar 't is u holle maach En krytende ghedarmt, dat maackhet u nu zoo graach. Ick weet wel wattet is: hy sou oock garen schransen. Verhaastje niet, mijn borst, ick selje voor gaan dansen. Joncker, lustje, tast toe; dat broot dat is seer goet, So doet dees koe-voet oock, en dees pens is oock so soet, Al waarmen heel versaet, men souwer lust nae kryghen; Ghelieftje, eter af! Holla, 't wil ny ontsygen. JERO Is dat koeyen-voet? ROBBE Ja 't, mijn heer, neemt dat aan. JERO Ick koos voor dat beetken gheen kalkoensche haen. Hy gaet met Robbeknol sitten eten. ROBBE Wat duncktje, byget: is die sack toeghebonden? Hy kluyft de kootjes of, veel reynder als zijn honden. JERO Och dit's lacker dingh! ROBBE De saus daar ghy't me eet, Dat is het leckerste dat ick ter werelt weet. JERO By goy, het smaackt my met sulcken goey behaghen, Al hay'k niet gheten g'hadt in twee gheheele daghen. ROBBE Juyst rae ghy't hooft, als ghy de waerheydt spreeckt; Ick denck dat jou de spijs niet euvel op en breeckt. JERO Brenght my mijn drinck-vat hier, dagese niet vermindert. ROBBE De pot is boorde vol, sy is noch onverhindert. JERO Gaet na de ledekant, neemt de tapeet van 't bet, En vouwt het ammeloocken, met meynen servyet, En legget op 't schrapra. ROBBE Ick selt wel doen, mijn heer! Hier hebben wy de may, zijn hoverdy, al weer! Hy wil zijn graviteyt met groote woorden houwen, En hy het niet een scherf om zijn neers me te klouwen. Naar het eerste bedrijf Naar het derde bedrijf DERDE DEEL EERSTE UYTKOMEN ROBBE Men seydt: Die wel drinckt, slaapt wel, en die wel slaapt, en doet gheen sonden. En die geen sonden doet, die wort sluytelick salich gevonden; Maer ick heb wel geslapen, en eens ghenoech gebanckt. Dan ick heb mijn gelucksalicheyt noyt noch seer bedanckt. Wat loopt een mensch op aarde verscheyden avontueren! Wat moetmen al kommerkans en ongemacks besueren! Weet dit niemand niet? Die vraechtet, die vraechtet mijn, Die alleen weet en proeft wat wy onderworpen zijn, Door de versochtheyt vande ramp by my gheleden, Van hongher en van dorst, en meer elendicheden, Van swerven gints en weer by vyant en by vrient Wat sonderlingher volck so heb ick oock ghedient? Wat meester dat ick kreegh, hy was suynich en spaarich, En d'een was altijdt meer als d'ander vreck en kaarich, En nu heb icker een die geeft men spijs noch broot, Maer die ick self de kost te gheven ben van noot; Nochtans heb ic hem lief, want siet, daar staat geschreven: De geen die niet en heeft, die kan oock niemant geven, En of ick schoon ghebreck op 't alderhoochste lee, So had ick steets met hem noch medelijden mee. Daar is den armen bloet stracx in zijn hempt gheloopen Hier achter op 't ghemack. Ick moet zijn buyl eens stroopen, En snoff'en die eens deur, so raeck ick uyt 't vermoen. Holla, ick most in zijn broeck eens gauw huyssoeckingh doen! Nu in zijn wambesje, en nu eens in zijn mouwen. Gants doot! ick heb de beurs, zy heeft wel duysent vouwen, Dits niet, niet, niet, niet, niet, niet, niet, nichil is hier meest; Het schijnt datter geen gelt in lang in is gheweest. Och, dits een armen droes! Voorwaer, hy is rechtvaerdich Om zijn armoede mijn meedoogenheyt wel waerdich, Maer ick haat wel met recht mijn blinde gierighe miester, En die ongheluckighe en nauw ghesette priester. Den een die kreegh de winst van mijn gheleerde tongh, En lieten my dar toe van scharpen hongheer sterven. Ick sal, dat kenne Godt, gheen hof-joncker sien swerven, Of ick sal dencken: stracx, wanneer hy mijn ontmoet, Het gaat de kalis alst mijn arme meester doet, Die ick doch liever dien met zijn behoefticheden Als d'andere, en dat om mijn voorgaande reden. Maer een dingh wild' ick wel: dat hy kende zijn staat, En dat hy niet en gingh so trotsch ghelijck hy gaat. Dan 't schijnt wel: 't is een wet die stip wert onderhouwen By het Brabantsche volck, so mannen oock als vrouwen. Al dat verloopen goet zijn al joffers en monseurs, Al hebben sy, als ick, gheen pennin inde beurs. De Heer die wilt versien, eer sy ons oock verderven; Of sy sullen, so 'k vrees, noch in die sonden sterven. Nu ick wil binnen gaen, eer dat hier komt mijn heer, En vrouwen daer de beurs in duysent ployen weer. DERDE BEDRIJF TWEEDE UYTKOMEN JAN, ANDRIES, EN HARMEN. JAN KNOL Bon's jours, wat roester? Wat nieuws, Andries en Harmen? ANDRIES 't Gaet so wat heen, maer niet alst hoort, het landt is vol allarmen; De een wil ons hier, en d'ander daer op 't lijf, o dit is quaat werck; Daer toe inlandtsche twist, en scheuringh van de kerck. Als de kickvors ende muys dus t'samen hassebassen, So mocht de kuyckendief wel schielijck haar verrassen. HARMEN De saacken vande werelt die gaan wat wispeltuur. JAN KNOL Wat schaat dat, Harmen, voor u? 't Gelt u de waghen-huur. Jy bint van Twent en Drent op een stroowis komen dryven. HARMEN Maar dat is niemendal, ick ben so goet als jy met u vyven; Ick heb hier meer ghebrocht als juy, verstaje dat, Jan? Ghy quaamter met u kaale gat, en ick hadt mijn klieren an. ANDRIES Dats waar, al wel betaelt, wil jy met de vreemde gecken, Dat sou ick en sommighe mijn wel dapper antrecken. O lieve Jan, hadden wy 't, en een ander, niet gedaan, Het sou hier moghelijck nerghens na so wel niet gaan. JAN KNOL So qualijck niet, seght so, want met de waar van buyten So kreghen wy int landt veel afgherechte guyten, Want dat ons is ghebrocht, of datter is gehaalt, Dat is, Godt betert, hier te kostelijck betaalt: D'ouwde eenvoudicheyt, daer wy soo veel van spreecken, Quam door het nieuw' bedroch wel haest den hals te breecken. Waer is nu dat gheloof en die Hollandtsche trouw? Die is so ver van honck voor diese soecken souw. Doen was een woort een woort, nu moetmen listich schrijven, In dien men wil bewaart voor losse lidsers blyven. ANDRIES Wie brocht hier de neeringh en koophandel als wy? JAN KNOL Wie brocht hier de valscheyt en boevery als ghy? HARMEN Wie brocht hier de scherpheyt in u onbeslepen sinnen? JAN KNOL Wie brocht hier de boosheyt om onse deucht te winnen? Wanneer ick dit gedenck in waarheyt, soo dunckt mijn Dat wy noch verre an de quaatste koop noch zijn. En wat wissel dat wy met vreemdelinghen sluyten, Soo weten sy altijdt de burghers wel te snuyten. HARMEN Het spul dat heet: siet toe, maar alsment wel besiet, De Hollanders en zijn op ver de beste niet. ANDRIES Het moet al duyster zijn daar dat volckje sal dwalen. Gants lichters, dat ick mocht, ick souwje wat verhalen! JAN KNOL Andries praat soo gaarn van alle menschen quaat. ANDRIES En om een loghen, Jan, soo weetje lydich raat. HARMEN Wel ick bedingh dat wy onder ons drien spreken Eerbare woorden, en van allemans ghebreken, Doch of ick wat vertrock, niemant en treckt hem an, Maar lacht en denckt: hy mient voor my een ander man. JAN KNOL Wel, sullen wy dan quaat van al de luy versinnen, Soo isser best dat wy van ons selven eerst beginnen. HARMEN Dats waer, dats recht, maar Jan, 't is yegelijck bekent, Dat ghy een snuyver en een groote dronckert bent. JAN KNOL Dat lieghje niet, Harmen, maar ick en smijt gheen vrouwen; Men weet wel wat voor huys dat ghy hier plecht te houwen, En is hier een hijlick te roffen in de stadt, Daar heb ghy, Andreis, het makelgelt of gehadt, En wasser een banckeroet, dat wist ghy juyst te maken, Maar daerom hiet ghy oock de voorspraack van qua saken. ANDRIES Also; laat ommegaan, soo krijcht mijn vaar oock wat. Hoe langh ist wel gheleen dat ghy de pocken hadt? Dats nou al eveliens, doen ghy soo slinger-biende? HARMEN Met die kaats ist achtien! Elck bidt hier voor zijn vrienden! Waar bleef het kleyne kijnt van u suster de non, Die by nacht so fijntjes by heeroom lopen kon? JAN KNOL Verklaart hier een, Harmen, voor dese goede mannen, Waarom datje bent te Ditmars uytghebannen; Dat was niet om u deucht? HARM Holla Jan, dat is te hooch! Hoe na mienje, begut, dat ick dan niet en dooch? Neen, bylo, praat soo niet, want ick ben vanden vroomen ANDRIES Vroomen? Ghy slacht de stronckt, ghy benter af ghekomen. O lieve man, men kan jou wel, en jou gheslacht! Wie isser toch die jou, of die de jouwen acht? HARMEN Ja, acht oft niet gheacht, daer leyt niet an bedreven; Mocht ick met elcken kint een tonne gouts maar gheven, Ick wed dat ick eer langh oock op het kussen sat, En dat de best van al my om mijn dochter badt. Men weet het hedendaachs soo abel te besteken; Elck soeckt de slechte luy soo deeg'lijck te bespreken! En al waren d'Amsterdammers niemendal graagh, Soo souwer wel een Zeeuw, of een van 's Graven-haagh, Hoe wel dat sy niet veel vande koeckeeters houwen, Alsoo een macke moer minnelijck garen trouwen, Alsser maar gelt en was; 't is nu een ander tijdt: Al waar ick Ruck of Jood, ick worde wel ghevrijdt. JAN KNOL Ghy secht de waarheydt, maer men macht somtijdts niet segghen, Want daar is een volckje die wetent so uyt te leggen, Dattet sondt en schandt is; ick hebbet self besocht Aan dingen die ick van mijn leven niet en docht; Lijdt en mijdt, swygen best, soo hoeftmen niet te sorgen. HARMEN Segt ons, Andries, wat nieuws hebben wy van den morgen? Wat isser ommegaen, gisteren of te nacht? Isser neiamnt gevangen of verkracht? Geroesmoest, ghequetst, geranckoolt, noch glasen uytgesmeten? Ghy bent een man die alle dingh eerst pleecht te weten. Ghy bent des morgens vroech voor dach al op de brugh; Daar neem jy de tijgjes uyt de nest eer sy zijn vlugh. ANDRIES MAer, Jan, ick heb ghehoort en oock van daagh vernomen, Datter goet excellent Engels bier is ghekomen; En gister avont laet isser een jonge meyt Op de Haerlemmerdijck van een knoet neereleyt. JAN KNOL Knoet? Van een Westfaeling, zoo heb ick hooren spreken. ANDRIES O bloedt, krijcht hem de schouwt, dat wil hem suur opbreken. HARMEN Al kreegh schouwt hem al, hy maackten dat wel of. ANDRIES Het Hof Provinciaal krijght selden daar yet of. ANDRIES Een meyt neegheleyt? Foey! dat hoorden ick noyt segghen. De droes, wat schelm is dat? Een meyt neer te legghen! HARMEN O lieve Andries-Oom, dat ghesciet nu soo veul. JAN KNOL 't Is ghebeurt van een hals-heer van Haarlem, de beul, Schoppen Jen-oogh; op een rat moet hy rusten. ANDRIES Of aan een diefsche gallich, na zijn eyghen lusten. Melis Mal-mongt het gisteren een koontje ehadt. En ongse Jan die kreegh het luyer an zijn gat. Dirck het Elsje sulcke ontyghe stucken verweten, Ick segje dat een hongt en souwer niet of eten; En sy sprack hem weer toe, aars noch aars ofs'em vong. Dat wijf het de nicker of zijn speulnoot in heur tong. Joost Dircksz. is van daagh na Vlaand'ren ghevaren, En zijn buyr-vryer Klaas die sal zijn wijf bewaren, En sluyten het voorhuys te deghen na sijn sin, So komter niemandt vreemts by nacht of onty in. O 't is een veersient manl hy weet dat wel van buyten, Datter niemandt in en mach als Klaas de poort wil sluyten! Och, de voorsichticheyt is wel een groote deucht; Sulcken wijsheydt was hy al in zijn jonghe jeucht. Warenar het zijn pleyt en 't groote recht verlooren. En met Gran Marchand daer staetet qualijck gheschoren. En Hillebrant Droochnap die het een sulvere schaal Van dese nacht versoent an Elsjen en Pruys-ael. Dorst'ghe Dirckje die wil zijn ghelt niet verspeulen, Maar wel verquans'lenhier aan een malle meulen. Dat kleyne mannetgen dat op d'excusy loopt, En de plockjes haalt op d'erf-goet datmen verkoopt, Bleef gister-avont an een groot huys hanghen. En Jan de Pypestelder is vande ratel-wacht ghevanghen, En Harmen de Raser is van kranck-hooft ghequetst. En ons aller Hans Jongh is verlooft an een ouwe best. En Broer Karnelis is getrout an een Waterlantse tuytmeyt, Maer sy wil hem niet, nu sy hoort dat hy zijn ayeren uyt-leyt. JAN KNOL Andries, jy weter of, waar haaljet al van daan? Ick loof niet of ghy moet onder en boven d'aarde gaan. HARMEN Wel, wat hoor ick daar? Wel, wat wil dit wesen? ANDRIES Het is de ste-klock wis, men salder wat of-lesen. ROBBEKNOL, met een heel deel jacht van volck Het volck loopt na den Dam; wel, wat of dat beduydt? Daer sal justicy schien, want de ste-klock die luyt; Daar moet ick me na toe, en siense wat of-smeeren, Maar ofmense kastijt, selden sy haer bekeeren. De kussens raken uyt; daar is men heer de schouwt Met de secretaris; siet dat jy de mont wat houwt. Alsoo myne E.E. Heeren vanden gerechte der stede Amstelredam: aanziende het groot bedroch en toeloop der stercke luye ledichgangerren, vagebonden, onnutte bedelaren en menigte der vreemde armen, waer onder sich ooc verschuyen en behelpen verspieders, nacht-roovers ende dieven, om welcker verraet, dief-stal ende plondering, als ooc de godloosheden van tuysschen, spelen, vechten, droncke drincken ende hoerdom te vermyden, mitsgaders de weynig vooraets van kooren, en d'apparency van dien, en de dierte die consequentelijc vallen moet, tot groote beswaarnisse der gemeynte, ende tot verkortinge van onse eygen rechte behoeftighe: so ist, dat myne E.E. voornoemde Heeren hebben geordonneert en gestatueert, als sy ordonneren en statueren expresselijc by desen, dat nu voortaan geene bedelaars, lantloopers, bayert-boeven, troggelsacken, huyckevaken, 't sy out ofte jong, blint, kreupel, manck, melaats, ofte anders, en sullen moghen ommegaan, omme de aalmossen te vergaderen, op marcten, bruggen, voor kercken, poorten, hoecke van straten; maar dadelik te vertrecken, op peene van openbaarlick geschavotteert en strengelick gegeeselt te werden, Ghebieden oock myne E.E. Heeren dat niemant hem vervordere de sergianten, provoosten, en opsienders, die tot sulcken eynde sullen verkoren worden, eenighe molesten, ghewelt ofte verhinderinghe te doen in 't executeren en 't apprenderen der moetwillighe luye boeven en leechloopers, op peene als boven. Voorts dat alle rechte armen sullen gehouden wesen haar namen, staet en woonplaetse aen te gheven aende vaders, daer toe gestelt om de waerheydt daer van te vernemen, ende des noodt zijnde bequamelijck inne te versien. Aldus gedaen by de raden deser stede. Actum den 18. Meert. Presentibus mijn heer de schout, ende al de schepenen. BREDEROOD ANDRIES, JAN, HARMEN ANDRIES Wat dunckje daar of, Jan? Is dat niet wel bedocht? JAN KNOL Daer is in langhen tijdt gheen beter werck ghewrocht. HARMEN Ja, hoe wel datmen doet, noch salt yemant berespen. ANDRIES Ja wien? Een deel ghespuys van fielen, schudden, wespen, Of ander gorlegoy van onschamel gheboeft? HARMEN Neen, van eerelijcke lien die d'arremoed' bedroeft. JAN KNOL Te beter ist voor haer die hier rampsalich leven, Indien sy haar ghebreck en commer maer angheven: Men salder in versien; 't is goedt na mijn verstandt; So bantmen voegelijckst de schelmen uyt het landt. ANDRIES Als men den armen dus sou over al versenden, Werwaerts so souden sy int leste dan be-enden? JAN KNOL Daar laet ick heur voorsien; hoe spreeckt ghy heur so veur; Hoe na vreesje dat ghy oock stracx sult moeten deur? De luy die worden moe van dus en so veel ghevens; Sy verluyen daer op, die Jottoon en kromstevens; Sy zijn de oorsaeck van der rechter armen noot, Die treurichlijck verkoopt sijn schaemt om dat drooch broot En onder alle die de huyssitten hier spysen, En suldy gheen twintich burghers kinderen wysen. Haar hart is haar te groot. Maer moffen, poep en knoet, Dat zijn troggelaars, tot bedelen opghevoet; Dat bewijst de Rietvinck, en noch de Ouwe Wael uyt; Maer die Haarlemmer-dijck, o bloedt! die levert ael uyt: Wat woont daer een ghesnor van volck van wijt en sijt; Daar is nauwlijcx een dach datmer niet vecht en smijt. Wat comter vrydaachs en gherit ter poort indringhen, Van revelduytsche en van vreemde hommelingen. Al ghesonde wyven, met besieckte doecken om, By hiele vaendels vol, doch met een stille trom, De Nieuwendijck langhes, en voort door alle straten. Het volck is hier goedt gheefs, 't blijckt an haer karitaten; Elck werpts zijn aalmoes wech, want is het niet van 't mal Datmen lieden gheeft die 't verkaetsen met de bal, Sundaachs 's morghens voor de poort, of daer yewers buyten? Of verdobb'len met rabouwen en met guyten? Of ver-evenhoutent, of hutselen met mekaar? Of int kuyltje, of opschieten, of lechtmese daar? Wat voordeel doet haer 't gelt? Niet, al zijnt kop're duyten, Men sieter bloetstortingh en doodtslaghen uytspruyten, Ja moort en dievery. En wordense ghevat Van schouten, dienders of soldaten vande stadt, En raken sy int gat, so sullen de vis-wyven Dit eerloose volck noch voorsprecken en voorschryven; Of 't recht dat wort door 't geldt gheblintdoeckt en verdreyt, Door den yver van haar sotte barmherticheyt; En noch en machmen niet op dit misbruick eens schempen, Noch schrollen op die gheen die 't geldt onnut verslempen, En laten wijf en kint in commer en in rouw, Daer men het vlytich voor den noot bewaren souw. O, kon den Overtoom of de Kathuysers spreken, Of Sloterdijck, wat souwer een bommel uyt-breken. ANDRIES De arrebeyers en de draaghers ande straat, Dat is een volckjen dat haer op den dronck verstaat. Wat dunckje, byget Jan, en zijnt gheen leckre boeven, Die niet van waar 't bier is, maer van wat merck is konnen proeven? HARMEN Sy benaerstighen steets de middelen van 't landt. ANDRIES Sy benaarstighen steets haar eyghen sond en schandt; Sy misbruycken den dranck en oock de goede suyvel; Sy vorderen het landt, hoe? Sy vorderen de duyvel; Sy helpen de Schoyer en Sluycker wel an ghelt, Maer dat baat het landt noch pachters niet een spelt. Wat boeren datter zijn, worden sy medestander: Den eene fiel die zal 't dan stelen van den ander. Maar dese brouwers, of de ghene die 't beschoyt, Of die het sluycken 's nachts, sy blyven noch beroyt. Behalven de koopluy die eerlijck willen schynen, Die kelders verhuuren an Frans en Rijnsche wynen En halen door een deur somtijts een vaatjen wijns, En stelen jaar op jaar also den heer het sijns. So daer de magistraat niet beter op wil letten, So sullen sy het landt dapper ten achter setten. Daar zijn wijnkoopers die oock setten een ghelach, En draghen stoutelijck een heele nacht en dach; En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen, Sy souwen in so kort gheen groote huysen bouwen. De vromen kijcken toe, en sien dit an met leet: haar neringh werdt verkort, ghelijckmen siet en weet. Waerachtich, 't is al laat, ick wil nu t'huis gaan eten. HARMEN Ick heb oock etens lust, want ick heb niet ontbeten. ROBBEKNOL O bloet! Nu machmen sien de vasten van ons huys, En d'inwoonders zijn soo stil, soo stil als een muys; Wy spreken niet een woort, soo seer sijn wy bedroeft; Niemant weet vandenoot, dan diese treurich proeft. Wat raat gaat mijn doch an? Och, ick van niet versinnen Waar mede dat ick best de schaam'le kost mach winnen. Maar noch ben ick zoo seer beladen niet met mijn, Als ick nu met mijn heer bewoghen wel moet zijn. Waar sal hy, armen man, van nu voortan of leven? Hy heeft noch gelt noch panckt, en niemant sal hem gheven. Maar 'k weet niet wat hy eet, noch ick kan niet bedencken, By wie dat hy mach gaan, die hem het noenmael schencken. Of leeft hy by de wint, ghelijck het kameljoen? En nietemin, alsmen hem siet komen op de noen, Soo steeckt hy op zijn hooft soo rustich over emden, Ghelijck een wackre wint van schoone swacke lenden. Robbert, nu is het tijdt dat ghy middel versiert; Gheen beter als mijn ampt dat ick jongh heb gheliert. Ick wil mijn evenjely gaan halen uyt de hoecken, En gaene by de buurt mijn broot met eerren soecken. TRIJN SNAPS, ELS KALS, JUT JANS (SPINSTERS) TRIJN Dat roert jou niet, hoortje dat wel? Jan Kurckevaar, Jou wijf mach een hoer wesen, of jou dochter, of jou snaar! Loop heen, ghy hoere-dop, jy gatvinck, by jou wortel-teef. Ghy hebt groot gheluck, malle pis-dief, dat ickje back-huys niet an mortel wreef. Ick ben een vrouw met eeren, en so goet as jy of mijns ghelijck. Wat rijtmen dese rekel! De duyvel dienje, binje rijck. Is mijn man een veughel? Jy selt jou mont beteughelen. Komter uyt, hebjet hart, jy schrobber, ick selje lieren veughelen! Jy sult niemandt veughel hieten, Jan hanghgat, verstaje dat, Of blaest hem ierst een pont veren...de rest in 't sout-vat. Ick seght noch eens, op mijn burgherschap: jy selt niemandt veughel heten, Of jy sult ierst, walbarcken aensicht, van zijn eyeren etten. So siet. Ick sel jou dat veughelen nock kornen uyt je gat, Isser, by gans wongden, anders maer recht inde stadt. Komt en reys voor den dach, hontsklinck! komt eens uyt de koocken; Al het mijn man in zijn jeucht en reys een huys oppe broocken, Wat schaat dat? Dat schaat niet, al even goet vrient. Al is hy en reys egiesselt en ebrantmerckt, hy haddet verdient. Ick weet het also wel als jy, dat ick jong voor hoer liep; Al was ick jong, ick was so wijs dat ick een om mijn moer riep; Ick was om mijn veertien jaer al mans ghenoech voor een man, En of ick niet deugen wil, wat, hondert guldelingen, gatet jou an? ELS Nou Trijntje, nou, nou, 't is hoogh ghenoech, 't is lang enoch ghekeven; Het hy watte seyt, 't is hem leet, men moet vergheten en vergheven. Hy is best die best doet, weetje nt? Een hoer is een vrouwe naam: Die 't niet en is, en trecktet hem niet aan. TRIJN As ist, mijn faam! Mijn eer! mijn eer! mijn eer! mijn eer! die sal hy my verbeteren, Of ick sel hem, sie daer, met dat mes na zijn gat verteren, En of in de stadt van Hooren mijn ooren staan an de kaack, En offer mijn vaar ghehanghen is, is dat so grooten saack? Daar hangt so menighen vroomen man, daer leyt niet an bedreven, Hy brocht hem, God-dack, noch selver niet om 't leven, Noch met rabraken en met verbranden vry? JUT Maar Trijntje, wat kal is dit? Wat soumen doch so kijven? Hetty watte seyt en watte daen, 't sal an hem selfs beklijven; Wees ghy de quaatste niet, nou stil, weest stil, mijn moer. TRIJN Wel, wat duyvel het hy te seggen van mijn jongste broer? Al staat hy na 't beulschop, hy doetet met God en met eeren; Mach hy alsoo wel als een aar niet een request presenteren? Hy is een burgers kijnt. Maer 't hof gaater soo wat me deur: D'eene vreemdelingh of d'ander, die gaat altoos veur; Draaght hy hem wel, het dief-leyer-schop dat sellense hem wel beschicken, Maar hy moet eerst een neerlaagh, of een maant vijf ses verklicken. Men komter so niet an, lieve moer, op en stel en op en sprongh, Of men moet vry wat voorloops hebben van ouwt en jongh. Men mach segghen watmen wil, kijnt, het is een eerlijck officy, Het is een diender van Godt en de heylighe justicy; 't Is een smeerich ambacht; waren sy wat goet spaars, Sy mochtender hondert pont groot op verteeren 's jaars. ELS Ja seecker, dats geen kleyne mater; isser sooveel me te winnen? Soo gheeftet me wongder, datter gheen meerder dief-leyers sinnen. TRIJN Wat doeje, spinje wat? Dat is seker hiel goed vlas, 't Is een garentje als een sijt. Wel trouwen, sy spint wel ras. Waar haalje de streentjes, op de Nieuwendijck of in de Halsteegh? Of op de Luysemarckt, en op de Burgh-wal, daar ist al leegh; Wat geefjet pont? Waar brengjet? Of heb ick jou huysen? Ick heb hier wat werck te heeckelen en te pluysen; Heer, ick kent so moytjes doen, also wel als onse Hilletjebuur, Al seggen de luy datset puyckje, en 't ammeraaltje is van de buurt. As ick begin, so heb ick noch niette daan, dat soumen seggen; De heeckelsters vande Varckemerct mogender heur broek by leggen. Ick ben al mier asje mient, ick slacht Jan Bruynen neus. Jutje Jans, met oorlof, wat sinje: benist, papist, arminiaens of geus? Wat isser nu al te doen, niet waar! Met gheloofs saken! Dat het an ons drien stong, wy souden dat hylick wel maken. Wat noch prijs ick mijn? Ick spreeck wel een haastich woort, Maar daar me ist ghedaen. Och moer, ick weet hoet hoort! JUT Elsje kaacks, datt' an ons stondt, wat dunckje, souwt dan beter wesen? Swijght, swijght om Godts wil, kijnt, heeren boecken zijn quaat om lesen; Och dat is ons dingen niet, laten wy ons moeyen met onse werck. Elsjen Kals, hebje nou een lootjen van de ouwe of niewe kerck? d'Alemosseniers dielense 's weecx wat uyt voor de arme luytjes; De luy werpen nou so niet over, sy bestellent nou met duytjes, Die wel eer guldens gaven; doe ginge de vaars grof. Trouwen, 't is nou een duere tijdt, 't macher nou so niet of. Kijck, alle dingh is duur, maar Anne Klaas in de Drie teste Die doet veel goedt, God loontser, hier ande vesten; Ghy wetet niet, hoe veel boogjes datse 's jaers wel huurt, En daarse all sondags warmis, kool, erreten en boonen stuurt, En stockvis, en bry, och s'is soo goet arms, jen hebtje leven; Datse selfs een rogghenbroot was, ick loof niet, of sy souwer self wech gheven; 't Is, 't is dat ickje niet seggen en kan, 't is te goethartighe wijf; Sy souw verseepertjes huer hert wel duwen uyt huer lijf, En gheven 't an een aar. Stuurdese daar gistren niet so veel laken Datter Lobberich, Dibberich en Gerberich een roc of souwen maken. Sy haalden eensdaags een groot linneweb uyt het middelste bom. Wat gingse doen? Maer, sy dielden daart noot was rustich om. ELS Ja sulcken ien ken icker oock, ik moeter deucht of spreken. Och, hoe dickwils het sy wel in mijn spynt en tresoor ekeken. Offer oock yet ghebrack, of watter was van noot; Daar kreegh ick noch flusjes een pot met botter, en een broot, Met een sle met turf, en een mant met spaenders, en vyven-twintich eecken houten, Met een kinnetje harings, en met lustich en wel ghesouten Aal en labberdaan, en se het mijn kyeren gnapjes ekliedt en eriet, En sy stuurtse int groot school, 't is van sen leven niet eschiet. DE LESENDE ROBBEKNOL, ELS KALS, TRIJN SNAPS, JUT JANS ROBBEKNOL Uyt ist, siet daer blijf ick, buur-wijfje, siet daer by dat titteltje. TRIJN Maar hoe reyn is dit ooc! Komt, me vaar, leestmen noch een kapitteltje. Jesus, Marye, maar kyeren, God segen ons, is dat Gods woort? Ja wel heer, ick wort schier aars, ick hebt mijn leven niet ehoort, Ic ken niet een A voor een B, mijn ouwers lietent my noyt lieren, Hope moy leest die knecht, hoe keunent de menschen versieren? Houw daer, mijn vaar, ay lieve, leest dan noch iens Een evangelye uyt de schrift, je weet wel, dats nou alliens. Ick ben me Rooms-Katelijck, en ick gae wel inde preecken; Maar wat ist? Hier eseyt: ick macher mijn hooft niet me breken, Of daar een paap staat en praat int Latijn, en haaltet wel so vart; Ick laat mijn noch staan, maar dat hyer selver in verwart... Men hoort ons slecht en recht en eenvoudich te leeren; Wat weet ick, of mijns ghelijck, van 't aalwarich disputeren? ELS Nou, mijn ridder van 't sint Joris, nou, mijn vryer, assen man, Leest nou een reys van dat heyligje, moytjes van vooren an. ROBBEKNOL LEEST JUTJE Maar woondje daar, men vaar? Heer, je keunt, je hebt wel annenomen! Mijn koningh, jy moet wat dickwils en wat mier ankomen; Ghy komt al te luttel uyt, 't is niemendal, hoorje dat wel? Siet, dat geef ickje, nou, neemtet vry wat, dats ien gesel! Jy bint ien man als speck en speck is so goet als gelt; altijt als jy komt lesen, So sel ons eten so wel voor jou, als voor ons selven wesen. ROBBE Ick bedanckje, buur-wijfjes; onse lieven Heer is het loon,\ Die so veel menschen spijsden met vijf garsten broon. TRIJN Gaet heen, mijn engeltje, mijn snobbeltje, och! hy is so soet; Dat jou onse lieven Heer inden hemel halen moet; Komt altoos an, al wast een kaars in nacht. Dat waren woorden! Wat dochtje, Jutje, wast anders ofje een propheet hoorde? Ay, komt me binnen, en praat wat, ich keb so moyen vyer. ELS Wel an, ick koomje by. JUT Al waar ick doot, so bleef ick doch niet hier. JEROLIMO, ROBBEKNOL JEROLIMO Moor hoe voriabel en sunderling, dat 's avontuurs beloop is! En weet niemant van ouwlien, goeliens, of Amsterdam te koop is? Ick wilt betoolen niet op termijnen, maer met argent kontant. Puf koopliens, puf mannekens, ick ben de grootste van 't lant. En waren de stooten niet geïpescheert met facieuse soken, Ick sood versoecken de Haarlemmer-meer drooch te moken, Op myne kosten, ick sood doen, ock joock, och Jesus joock! Ba 't Jan, d'Hollandsche botmuylen sioen sr. Jerolimo voor een slechthoot an. Ja wel, kijckt iens, en wordy niet sot? Waar ic te Brussel gebleven, De grave van Egmont had my zijn zuster of zijn nicht wel gegeven, En noch paasen dese Ollandtsche moeyers van Amsterdam, Dat ick kick om hoor schoon ensicht uyt Brabant quam. Ba, schaamt ou, gay kladdekens, en moockt daer af geen mency, Of'k en doe ou van mayn laeven gheen honeur noch revernct, En weest danckboor aan Jerolimo, die hem so loogh vernert, Dat hy uwe stadt door de grandese van sijn presency eert. Ke vuyltjens, ke ne ke ne gheen lust tot houwen, Al mocht ick de princes, de koninghs dochter, trouwen. ROBBE Ghy hadt al groot gheluck, hadje noch een beerstekers wijf; Ja wel, dat mal sier deed, jy hoefde een playster over je hiele lijf. JERO Moor Robbeknol, sie door, ons Heer doet buyten mayn hopen Zayn goeyertieren handt althans mildelijck open. Goot henen op de mert, koopt vlees, broot en fruyt, So steken wy de rijckeliens en de duyvel het oogh eens uyt; En dat meer is: so wil ick dagge ou sult verblyven, Want ick he van daach een ander huys ghehuert veer besyen; Ick blijf hier langher niet in dit ghesworen nest Als dese loopende moont, en saterdach is de lest. Vervloeckt soo moet hy zijn die 't hout daer toe bereyde, Of die de eerste steen op desen gront in kalck leyde, Want tot mijn ongheluck so quam ick in dit huys, 't Welck is ghedistineert tot mysserie en tot kruys; By gort, van d'uur dat icker quam, dat moe gay weten, En proefden ick noyt een dronck wijns, noch 'k heven gheen mondt vol vlees gheten. Noch 'ken ha noyt wa rust; oock ist so quolaijck gebouwt, En 't esser so doncker en so droef datter een mensch voor grouwt. Loopt, loopt, loopt, Robbert, en wilt gheduerich draven! Wy sullen nu eten en bancken als jonge graven. JEROLIMO EN ROBBEKNOL Och lieve Heer, hebt danck! Och dits wel ghemaackt! Maar hoe is mijn joncker toch an dit ghelt gheraeckt? Hebt danck, hebt duysentmael danck, o Heer alder Heeren! Die onse droefheydt haast in blijdtschap kan verkeeren. Maer hoe sel ick het best nu aenlegghen met het ghelt? Laat sien, hoe veel isser wel? Ick heb niet eens ghetelt. Dit is ghelt alliens oft een execusijs plockje was! Datter an den Damsluys nu wat ghebraens tot dat kockje was, Dat waer immers wel goedt, maer 't ventjen is te duur. Ick wil gaen koopen een pan-aaltjen van Jannetjen Hoyschuur. Neen, dat is te oudt-backeeen, 't het al te langh in de son estaan; Ick eet so garen haasje koddette sluyta van Piere le Son edaan; Maar dat goetjen is wel lecker, maar 't is so verbrancxst tey. Ick mach gaan halen tot Pauwels een moye venesoen pastey. Ick heb niet ghelts genoech, ganslyden, dat rijt sijn lappen! Wat sal ick in dese pot Lonsbier of Dele-wijn laten tappen? Dat dient mij niet voor al, want worden mijn meester buys, Hy sloech de pottebanck om stucken, en al de glasen in 't huys, Want waer hy niet dol eweest, hy was noch te Leuven Pater. Waar sal ick dit broodt halen, inde Veughels-dwarsstraat, inde Deuvekater? Dat wijf is so vies, ick weet niet en hoe. Ick moetme wat berain. Ick hadd' garen goet koop, want ick sou niet garen alle daaghs te merckt gain. Daerom, als ick het doen wil, so doen ick het met een gracy. Wel hey, hier komt een doodt, by gants bloet, die is een stacy. HET LIJCK, DE DRAGHERS, DE PRIESTERS EN DE VROUW de Mannen, Robbeknol VROUW Mijn heer, mijn man, mijn goedt, wat is my dit een kruys! Helaas, waar brenghtmen u? In 't ongheluckigh huys? In 't droef, in't doncker huys, int huys van het vergheten, In het huys daer men weet van drincken noch van eten? ROBBE O mijn, wat hoor ick daar? O mijn! mijn pols die slaet! Mijn dunckt warachtig dat hemel en aerdt vergaet; Sy brenghen dese doodt in mijn huys, dits mijn vresen, Maer, o popelency! daer sal ick noch voor wesen! Wapen! wapen! moort! moort! moort! moort! brant! brant! Helpme! wapen! bran! de duyvel is in Hollant! Och miester! Joncker! Heer! helpt, helpt my beschermen! De deur! de poort! de deur! of jy seltet bekermen. JERO Wel jonghen, wel hoe dus, hoe komt dagge so krijt? Wat isser dagge so furieus de deur toe-smijt? ROBBE Och joncker! Ey komt hier! Ick ben de deur niet machtich. Want men brengt hier een doodt in ons huys, ja warachtich. JERO Een lijck? Een doot? Wel hoe? ROBBE Sy quamen my te moet, En siet, de vrouwe sprack: mijn heer, mijn man, mijn goet, Helaas, waer brenghtmen u? Int huys van het vergheten? In het huys daer men weet van drincken noch van eten? Int ongeluckigh huys, in 't huys seer droef en doncker? Och, och, sy brenghent hier, komt helpt my doch, mijn joncker. Ick sta hier met mijn righ en dringh teghens de poort. JERO Ick kan van lachen nau spreken een enckel woort. Och, ach, ick lachmen doodt, ick kan 't niet langher harden. ROBBE Ja wel, lach jy der om, ick souwer dol om warden. JERO Het is wel woor, Robbknol, al heb ick wa ghelacht, Ghy hadt reden te dincken dagge hebt ghedacht, Doen ghy hoorde 't gheen de droeve weduw seyde, Die hoor afghestorven man weenend' ter aerde leyde. Moor dewyl dat ons Heer het alles heet versien, Doet op en haalt ons spijs; ou sal gheen leet geschien. ROBBE Och laetse eerst, mijn heer, een weynich zijn vertrocken. JERO Nu Markolfus, maeck op, malkus, hoe salt hier locken? Doet open, lacker, flucx, wech uyls-kuycken, loopt wech, En haalt ons den ontbijt; en hoordy niet wa ick segh? ROBBE Nu joncker, ick sal gaan, al blijf ick wat staan temen; Wie kan een ander hier de vrese doch benemen? Naar het tweede bedrijf Naar het vierde bedrijf HET VIERDE BEDRIJF EERSTE UYTKOMEN BYATERIS, EEN UYTDRAAGHSTER Men moet wat doen om de kost, so langh als men leeft; Ick sie wel, heb ick niet, datmen oock niemand en gheeft. Doe ick jongh en weeldich was, had ick vryers met hoopen; Doe docht ick niet iens om spelden engaren te koopen; Ick had de lieve tijdt van al mijn vrienden raat; Daarom so gatet mijn, ghelijck het myn nou gaat: Mijn goetje is verslempt, mijn kliertjes zijn versleten; Ick waar al langh vergaen, had ick gheen raet gheweten. Wat heb ick in mijn jeught oock menich man gehadt, Ja wel, so veel, so veel als yemandt inde stadt. Ick mien: mochtense melcader met de handt anraacken, Sy souwen wel een 'hier deur, jy moeter deur' tot Haarlem toe maken. Wat dunckje: heb ick dan mijn poosje oock niet wel te roer estaan? En noch so geef ick het Trijn Dubbeld-in of het heur moer te raan. Wat seyde Pieter de Wasscher saliger, in zijn jonghe daghen? Byateris, Byateris, jy keunt; ghy weet van de ouwe slaghen. Ick heb wel edocht: sal dit van zijn leven wel vergaen? Toch, nou ick oudt ben, achtense mijn als bakelaar, Maer 't schaat niet: een bedurven koopman dat is een goet makelaa, En een ouwt waghenaar hoort gaen 't clappen vande swiep. Och 't mach men so wle heughen dat ick by onse Govert sliep; Noch, wat was dat voor een soet man, wat het hy my wel egeven; Wat heb ick oock wel mallicheyt met die mensch bedreven. Maar dat is nou over; doch nou ick niet meer en kan, Nou brengh icker een deel quikse jonge dieren an. Ick weet hoe een vrouw te moe is, ja ick, veurseker. Kreech ick nou lestent niet een moye rock met een beker Van Jannetje met ien oor, hier de huys-vrouw van Flip, Om dat icker so abel by Goyer hulp int schip; En ofse schoon met hem op een koy inde cmbuys was, Sy zey ál evewel, dattet daar moyer dan in heur eyghen huys was. Kreech ick niet en spickspelder nieuwe huyck van kapiteyn Tijs, Dat ick hem t'onsent liet slapen hier by onser aller Lijs? Want haar Jan en doeter niet toe; 't is maar een dwinghert. Elewytingh, hoe is Nelletje Klaas op jonghe Jan verslinghert! Sy loopt een hielen dach het huys schier vande stee; Het schijnt wel datse hem garen een vrientschop dee: Hadse hem niet bemint, sy sou hem niet na loopen; Sy gaf haer halve goedt, mocht sy de jongheman koopen. Wat isser alle daagh tot onsent een gherit. Ick weet dat nou myn huys al weer vol meysjes sit, Want ick ben een besteetster, kijnt, wat dat beduydt, En die ick niet verhuur, die maack ick stracx de bruydt. Waarom sou ick aers vryers en wenaars anbouwen? , 't is sulcken volckjen! Sy willen wel hylicken, maar niet trouwen: Als de ghetrouwde mannen yerwes een nieuwt hairtje sien, Sy durven my veur elcken gangetje niet minder as en nobel bien. O 't is een hiet goedt; och se houwen so veul vande nieuwicheytjes! Ick heb daar nou een meysje, o bloet! sy ken heur ambacht freytjes; Isser yemant belust op wat versnapelinghs onder den hoop, Die komt en reys an, sy gerijft elck na zijn gelt, en hiel goet koop. Ick hebn hier wat goets, daar souw ick garen wat gelts op halen, Dit vrouwtjeeen is so benaut, sy moeter huur betalen; Maar hadse ghedaan ghelijck als ick haar riet, So gingh nou haar goetje na de lommert niet. Neen kijnt, men moet somtijds al wat doen om beters wille; Al sient de mans, och Heer, sy zijn blijt toe en swyghen stille. Dat ickje seggen souw wat de luy nou uyt noot wel doen: Ick soutje niet kennen uytstameren in een hiele achternoen. Nu moet ick een ringh lossen die hier is bekommert, En dan wil ick dit goet gaan brenghen inde lommert. ROBBEKNOL Is dat verschricken! Jaet dan wy zijn dit al deur. Maar ick krijch in een maant niet weer mijn eyghen kleurm En myn heer lachter om, dat gheeft men vry wat wonder, En mijn docht dat de lucht vol vuyr was en vol donder. Daar heb ick nou een reys uyt eweest an de hal; Wat liep ick daar lymen en dinghen, van stal tot stal! Wat is alle dinghen duur, ja wel het is te byster! Ick kon by niemandt beter raken als by de bruyne vryster; Dat is een meyt assen kruyt, al is sy somtijts wat onbeleeft; Sy sal niemant qualijck toe spreken die haar goe woorden geeft; Sy het mijn daer soo veel saucijsjes en speck ewoghen, Alsse wy in acht daghen, meen cik, op eten moghen. Wel hoe nou? Sie ick recht, so sie ick mijn joncker inde deur. JEROLIMO EN ROBBEKNOL JERO Bonsiours, welkoom, bien venu monseur, monseur. Wat hede lackerdings? Ba jemy, wats dit, een kiecken? Of ist hamele vlees? Jasus, hoe soet datse riecken! Maar mijn booterkulleken, wat hede hier van als; Inder waarheyt, Robknol, het is wel malsem en mals. Ghebenedtt zy ons Heer, die ons helpt uyt de trubelacy. Gaat haalt een minnebroer, dat hy ons spreeck de gracy, Met een benedijst van de moeyer de heylighe Karck. Wel, wa fackseert my de lacker! Gade so rouw te warck, Gay groot hoot, ghy souwt eerst ou pater-noster lesen. ROBBE Wat haast heb ick! Daer teghen mocht 't eten al op wesen! Een kort ghebedt, me joncker, maackt een langhe maaltijt. Ay siet, wat een hoope goet dat hy in zijn lichaam smijt; Alsoo, mijn vaar mien jy dat haghje noch op te klaren? Soo selje, dat beloof ickje, op mijn schoenen niet trararen. O lyden! Is dat smullen! Hy eet so hongherich en soo graagh, Trots al de schuyte-voerders, en de waagh-draghers van de Waagh. Schijt, koorendragers, en bierdragers, dees eet assen dijcker! Schijt, Harmen Vijftien pondt, schijt Robben, hy is soo hart assen spijcker. Dat issen meugheveul, dat issen vraat, s'en buyck en voelt gheen gront. Siet daar, niet een oogenblick is zijn hangt van zijn mont; Hoe drooch wringt hy ter deur, dat hy 't noch iens vervarsten. Gangswonden, baas, eetje darmen niet te barsten. Deynckje niet, joncker, de buyck-lapper die is doodt? Besettet moytjes met een stuyvers taruwen broot, Wat veur wijn of bier ghelieft mijn heer te drincken? JERO Gay sult mey, bot-muyl, met den blooten hoyen schincken. ROBBE Trouwen, vrient, ghy hebter lustich wat inghepakt. JERO Haelt my een Hollander, die my de vingers wa lackt. Moor secht oprechte biecht: hede niet onder-weghen ghedroncken? ROBBE De toegift, heerschop: die worde my voor mijn halen geschoncken. JERO Nou schinckt mey de weyn! Ghy bottekroes, hoe zyde soo traagh? ROBBE Dat hebje wel, baas: van kleyn bier krijghtmen luysen in de maegh; Een goe toogh en liechter niet om, neense trouwen. JERO Nu loot ick de goyen haer ambrosia en necter houwen, En nu trots ick de koningh, ja de keyser met zijn hof, Met ons banquet, Robert. ROBBE Ghy hebter jou diel wel of. JERO 'Tsa moeschaatje, geeft may mayn gulde tande-stoocker. ROBBE Ick selder jou stracx een langhen. Hola! waer is mijn koocker? hy krijght een versleten schrobber ROBBE Och! daar heb ick hem, daar heb ick hem. Daar isser een, mijn heer; Als die versleten is, so heb icker noch wel duysent meer, En tot een tande-droogertje, so eet die moye wafel. JERO Robbeken, dewijl 't niet quolijck schickt over tafel, Datmen de spays te mets met wa wijn lardeert, So isset oock heel gracieus, datmen over dis discoureert, En nadien ick mijn meugh wel heb ghedroncken en gegeten, So ist monseur, dat ick u int prviste laat weten, Dat ick van paysacye ben geboren, in het lant Te Hoboken, doormen de voontjens hoolt, in Brabant; Ick moet van ed'len bloeyen zijn, en van groote lingnagie, Want ick ghevoel het afe an mayn gnerose couragie, En principalijck an de graviteyt van mijn hert in een stick; Vermits niemant so seer belust is om te koning te zijn als kick; Al woor mayn vaerken moor een schomele pastabacker, Mayn moederken dat was wel aartich en wacker; Sy brocht de valyen en de marsepayne by de singjoors, By de kapiteyns, by de kornels, en groote pagadoors, En by de alferos, vol van superbo sacy. Voorwoor, Robbert, de Spangjers is een magnifijcke nacy; Al ghelijcken wy de Brabanders ons moeyers t'eenemaal, Wy spreken ghemaynelijck perfekt ons vajers tael; En gelooft datte kick om geen ander suyet hier ben gekomen, Als om dat kick een edelman heb quolaijck afgenomen, Dat hy mijn niet eerst reverentelijck heeft ghegroet, Wanneer mijn simpteuse parsonagie hem quam te moet; Hy salveerde my wel, maar met te langhen kneeteringh. ROBBE Met oorlof, mijn heer Jerolimo, onder verbeteringh, Al groeten hy u wat traagjes, de man die had ghelijck, Want, soo ghy selver seght, hy was edel en rijck. Daarom so quaamt u toe hem alder eerst te eeren. JERO Ba 't Jan, ick sal hem niet eerst kongratuleren, Ick mach hem duysentmaal hebben ghehonoreert, En hy, den onbelaafden esel, en heeften noyt verneert, Dat hy mijn handen hiel, en hebben voorghekomen, Dat ick mijn bonnet niet heel hadt afgenomen; Wat maynde da mey die afgront niet in mijn bloet en spijt? Ick sta op de authoriteyt van mijn signorie altijdt; Hy hoort te gedinckend qualiteyt van meyn excellente komplexcy. ROBBE Hoe leutert jou de kay? JERO Wa raasde? ROBBE Hoort onder corexcy: Ick sou daer so niet op sien, was ick in u stee; Ick houwt voor een abelheyt datmen voor een ander is ree; Besonder so soud ick het doen te willigher en te eerde, Principalijck voor mijn rijcker, machtiger en meerder. JERO Ghy zijt jonck en onbedacht, en ghy en weet verwis, Niet wat d'eer, een dingen van d'ander werelt, is; Het is het grootste goedt, dat hier de lien met eeren Voor al d'aartsche schat behooren te begeeren. Weet dat ick moor een arme schiltknaap bin, Maar so kouragieus van moedt, dat ick noch niettemin, Al waart dat mijn selfs ghemoeten zijn princelijcke exellency. En deed' hy my so kanp als ick hem geen reverency; Ick sou op een reys het fijntjes laten deur staan, Of ick sou semers te minsten een ander strootken deur slaan. GIERIGHE GEERAART Daar heb ick onse Geert een obligatie vijf of ses gheschreven; Dan trouwen, se hetme van elck ien moy oortjen egeven. Al isse me wijf, wat leyt daar an? Arrebeyt is loon waert; Men doet nou niet voor niet; of sy wat rement en baert, Daar geef ick niet om; dat is mijn verval, en dat hou ick suyver. Ick en rekent heur niet na; wonse lestent geen reyne halve stuyver Aan dat sootje vis, dat ic om, laet sien..., seven oortjes thuysbrocht, Dat sy an ons buur-wijf Aal Mouweris om een vyerijser verkocht? Och kijnt, het winnen is soet, seuse; zouwe wy daar so veel vervissen? Dat en was niet geraan, seyse, vaar, we meugen dat wel missen, Wy sellen de kost wel krijgen, seyse, we hebbe boter en broot; En mit so duwdesemen een pan met hoorense wort'len opmen schoot, Mit een blaau moddetje in mijn vuyst, mit twie oubacke korsjes, En voort spelde sy een slabbetje fraytjes veur by heur borsjes. Och die reynicheyt, die weet wat! Och, s'is so puntich en klaar! Toch, sy het dat van niemant vreemts, maer van heur sal'ge vaar; Die pleech altijt op voordeel mosselschelpen op te rapen, Daar hy het;avont of morgen hum wat schoontjes me sou of schrapen. Sloricheyt is gien heylicheyt, dat sij Lijsje Kladdebels, En s'is selfs sucken klonterde-bockje, datse ayeren klopt in heur pels, En offer neus druypt, en ofse wat quijlbeckt deur 't gebabbel, Se doet wel wat mier, alsment seggen mocht: sy werpt snottebellen te grabbel! Maar daar houw ick geck mee: ick bewaarse in een test, Wangt wie weetet, ofse noch geen silveren sellen worden op het lest; Als ic het so alchemisten met de 'lapes philosophorum' 'twas reyne winste, Altoos van quijcksilver, dats ongetwijfelt van het minste. Als ick mijn hayr laat scheeren, cik gaar de locken terstongt, Want Mopsus de Ballemaker geeftmen een schelling voort pongt; De luysige barbiers jonges die vegen dat voor prullen uyt. Maer wat doe ick? Ick leeset en soecket inde vulleschuyt, En vynt ick daar snipperlinghen van spaans, vet of drooch leer, Dat verkoop ick de schoenlappers op 't allerduurste weer; Ick sie nieuwers een hoopje, of ick selt kuyroost deur soecken; Vyndt ick dan ouwe feylen, etterighe, of bloedighe doecken, Die wasch en blieck ick op de Cingel, op mijn benier, En ick ventse an Ysbrangt, die maackter van fijn en grof papier; Wachtje veur mijn: ick weet, en ick wil de kost verdienen. O doen ick dus groot was, doe socht ick karsen en kriecke stienen; Al warense somtijds wat misselijck, dat en was geen noot, Ic lietet mijn niet ontsuuren: d'apteecker gafmen een pinnning voort loot; Twie kleyntjes maken ien grot, o ick wetet so te streumelen! Ick heb hier een sack, daar kan ick mijn oudtyser in dreumelen; Wat yet wat is, dat houw ick te raadt, ast maar wat doogt; Ick heb dAar stracx een erfje met een emmer as ehoogt, En ick brochter gistren op wel drie schooten vol oesterschelpen, En me wijf een stulp met goet; kijckt alle baaten helpen. Als de olyslagers en vleyshouwers 't savonts haar vuylis hadden uytgekruyt, So was ic daar smorgens voor douw voor dach gauw by met mijn ouwe schuyt; De luy verstaanter niet, sy mienen datte wy benne geck, Om dat ic mijn lant vet mest met koemis, en mijn boomen met henne-dreck, En mijn varckens met borstel en met mensche draf; Ick laatse wat quaken, as ick maar wel den orber schaf, En nou ick versta dat de vullers ouwe pis koopen, Nou wil ick we water soo lichtveerdich niet mier laten loopen; Ick slet moytjes garen in huys, in een hiel half vat, En oft wat goor stinckt, ick ruyck niet, wat schaat dat! Dat gelt, dat gelt, dat is de droes! Asme wijf en ick wat eten, Soo meete wy mekaar de toogjes toe, en so telle wy de beten, En so icker by gheval ien beetje iens ontbeet, Dan snijtse op een kerf stock, op datset niet vergeet; Dat mis ick sanderdaags; sy weet maat te ghebruycken. De maticheyt is een deucht; al hebben wy kijnt noch kuyken, Wy verslempent daerom niet, noch wy hebbent noyt verpracht; Ick sorgh voor mijn vrienden, en sy veur heur ghelacht; Wel is waar, al heb ick wel drie tonne gouts an renten van erven, So wil ick liever hongher lijen, als dat ick arm sou sterven. Ghy weet niet watten lof datter de werelt of te praten het, Alsser een man sterft die zijn volckje wat achter elaten het. Al heb ick wel hondert huysen instee, en wel duysent morgen Goedt wey en say lant, ck moet noch om 't afterste sorgen; Mijn wooningen hebben met de krijgh lange leeg estaan. Ick mien nou ande vesten, en dan in 't Dolhuys-steech te gaan, 't Volck deynckt niet om'er tijdt, oft een maant of twie later is. Wel, wie heb ick hier? Bint ghyt, ouwe Trouw? Goeden dach, Byateris. BYATERIS, GIERIGHE GERRIT Wel ouwe kennis, ick wensch jou goeden dach en een goet jaar! In wat gat hebjy so lang esteecken, secht, mijn ouwe bestevaar? Wat helptet! Jou vydemis van jou ansicht is my schier vergheten; Hoe gatet mit jou ghehoor? GERRIT Temelick. BIJATERIS Meughje noch wat eten? GERRIT Ja van passen, 't gaat wel toe. BYATERIS Hoe gatet met jou ghesicht? GERRIT Al reelickjes. BYATERIS Hoe bevoel jy jou al? GERRIT Maer mijn lichaam vol jicht, Gelijck als ouw luy doen. BYATERIS Hoe of het nou met Jan Hagel is? GERRIT Maar Jan die slacht mijn, hy is soo drooc as sagelis. Byateris, hy was te byster nu in zijn jonghe tijdt, Maar nou is hy ouwt en doof. Wat had die man een strijdt Met Lijsbet Lammerts, zijn snaar, en Jacob Prol zij zwager. Ghy souwt hum niet kennen, soo siet hyer uyt. BYATERIS Is hy dan soo magher? Hy was in zijn jeught nochtans hiel angnaertighe vet. GERRIT Dat loof ick wel! Souw een mensch niet afgaan, die sulcken hertsier set? Al woont hy te Naarden, hy is daarom niet een hayr te gheruster; 't Is trouwens gien gevonghen maachschop, het is zijn eyghen suster; En 't aar en kna hy niet lochenen, het is zijn vleysschelijke breut. Wat ist, lieve moer? Sy sinder met bey heur bienen al deur: Heur vaers, goetje dat isser to een prock toe ebleven; Dan trouwen, het wassr al lang ghenoch van te veur eschreven; Want hier eseyt: onrechtveerdich goet, waerachtig, dat en rijckt niet, Ten komt niet over 't derde lit; als ick het deynck, ten lijckt niet! Hoe pleech hy uyt te suypen de koopluy, jonges en kassiers. Schreef hy niet voor een gladde kaart een hiele vaane biers? Of een pijntje wijns? O dat is woecker, wat souwmen so veel winnen! Alsmer smorgens wat ontbeet, 't was strcx een pont van binnen! Rekende hy niet een kanne wijns brulle voor een kroon? Ick secher niet tegen, zijn huysvrou en s'en meyt, se waren schoon; Maar wat wast? Ofmer garen uyt vrientschap eens hossebosten, Ten mocht ten minsten niet minder als een rosenobel kosten, Met een paar flouwelen mouwen, met een klet, en een flep! Neen, Byateris, had ick so gedaen, ick had niet dat ick nou wel heb. BYATERIS 't Is de waerheyt, vaar, ghy wetet 't ondeuchdelijck te segghen; Ghy houwt niet van verquisten, maarr wel van op te legghen. Wat heb ickje lang ekent. Waer bleef jou ouwe kornuyt, Beningje Nanincx susterlings afters-kijnt inde Bonte Luyt? Hoe garen leyden hy inde Hout-tuynen en gelders troefjen; Hy was dat hy was, dats alliens; het was een arch boefjen; Hy deed mit de stienen en met de kaart al wat hy wou. Datverbrangselde bengeltje, het sach so garen een vrou, En of hy een stuck gelts verteerde, hy achtent als een bobel; Maar wat hettet te beduyen, het maatje was te nobel; Hy was niemants verdriet, hy was altijd vrolijck en bly, Hy vermaackten een hiel selschip, elck wasser garen by. GERRIT Wel, waar koom jy van daan? BYATERIS Maar ick koom uyt de stadtskoocken. Daar heb ick de koncarje teugen een maandach besproocken, Dat hy de tafel sal brengen voor mongseut Rokes sen deur. Al pretendeert Egbert daar axci op: de huysvrou gaat veur, Tiissen keur vande stadt; en of' er schoon dan noch Jan Hen is, Dat baat niet; hy komt te laat met zijn scheepe-kennis. Ick heb hem geloos-panct, en ge-eygen-panct, en uytte wonnen met recht; So doe ick zijn voochden oock, Gerret jansz. Plat-bec en Symen Slecht, En of Pieter Hinck, de deur-waarder, zijn huys wil voor de kerck setten, Daar set ick miester Bartel, mijn procureur, tegen met zijn wetten, Ick heb een schat-brief en sentency op zijn huys, en op zijn goet; Wacht je veur onse lieven-heers veurspraack, hy is niet mal wat hy doet, Al het hy lestent dat proces, en die gerechtige saack verloren, Dat deed hy uyt liefde vande rechtsgheleerde doctoren; Die gaf hy 't gewonnen, trouwens alwillens, na de uytspraack van de preses; Dan prevelt hyen goet, da d'Advokaten niet souwen lieren leses Ja dat mier is, speldes; ick laet noch van buytene staan; En om quaat vande heeren te spreken, geeft hy 't al de guyten te raan. Staach disputeert hy in't kantoir met de jonges, en de klercken Die hebben hem soo voor 't sotje, dattet de kneuckels en de boeren mercken; Daar verwijt hy de schrabbelaer en de penlickers, dat Het sondt en schandt is dat sy nemen een grootje voor 't bladt Van erf-goet of inventaris; wat as hy dat hy niet stout inde beck was? Wat wasser een spul doe malle miester Marten seyde dat hy gec was? Daar gingh Bartel stracx een vaen of twee op uytlegghen, Maar Marten wont, want hy beweest hem met zijn eyghen seggen. Wat heb ick wel een ghelt verrecht om Jan Dierten, alyas Buys; Ja wel, dat een mensch gelt was, hy bleef wel op 't stadthuys. 't Is hier een konsultacy, 't is daer een act te lichten van vijf ses regelen, Daar van een certificacy, en gints weer van 't zeghelen, 't Is hier de knaap, de dieflayer, en daer mijn heer de schout, Daar de steeboo die de rol dient, en de kamer bewaart, dat hy jou woor wat hout. Somma sommarum: het is over al gelt, ghelt veur en gelt achter; Ja kijnts, ick weeter of, mijn vaartje was deurwachter Vande vierschaar. GEER 't Is de warret, Byateris, maar watje seght, Ic sou hier iens gaan tot en smal joncker, 't is ien ienloopende knecht! Ick heb hem een huys verhuurt, en hy deynckt om gien betalen, En as het de luytjes niet stracx en brenghen, so moet ick het halen; 't Is inde huur-ceel expres bedongen een pay te geven alle maans; 'het Is wel waar, de Brabanders en zijn niet op sijn Italiaans, Maar sy vaaren wel after uyt; ick houwer men gec me, sey Tettroy; Vroech mey te maken, deur te gaan en te betalen met betstroy, Daar sal ick veursien, jaack seper, hiet ick aers so ick hiet. BYAT. Met groote reden, dat's hun recht, wel seker, souje nt? En ick gae hier tot een koopman om wat ghelts t'ontfanghen, Soo 't hem gelegen komt, op staande voet op een bortje te langen. Holla, hier most ick zijn, Gerrit-buur. GEER Wel, Byateris, ick me. BYAT. Klopt ghy. GEER. Neen, klop jy; propertjes, van liever le. ROBBEKNOL ROBBE Wel, wie klopt daar so hart? Wat, schaamt u, ghy karonje. BYAT. Jonghman, is mijn heer niet t'huys? JERO Robbert, segt dat ick ben in besonje. ROBBE Hy is niet by der handt. GEER. Wast meugelijck, ick sprack hem wel en woort. ROBBE Ja wel, fijn-man, ten mach hem niet beuren rechtevoort. JERO Robknol, seght dat ick ontfangh meyn indigo en konsenilje. GER Ick moet hem spreken, knecht. ROBBE Jy meught morgen weer kome